Doorzoek deze site:
Loading
Wat zijn wij aan het doen?

9 september 2007

Ams-Odes Rally 2007

Dit verhaal is ook in boekvorm verschenen.


"Wat ben je in Godsnaam aan het doen, Ed?"
"Aan het spelen, met de wind."

Het wordt hoog tijd, dat mijn taxibaas Edwin Gorter eens wat relaxt. Als ieder rechtgeaard ondernemer werkt hij zich een slag in de rondte om zijn bedrijf boven water te houden en, als het even kan, te doen floreren. Dat doet-ie onder andere door veel zelf te rijden, want zichzelf hoeft-ie niet te betalen. Dat laat dan weer weinig tijd over voor kantoorwerkzaamheden, die echter wel ook moeten gebeuren. Een fijn recept voor roodomrande ogen, en een asgrijs gelaat.

Dus als mijn vaste zakenpartner, Adrianus Warmenhoven, mij kond doet dat hij mee gaat doen aan een rally, ik vraag "Leuk! Heb je nog bijrijders nodig?", hij "Nee, maar waarom ga je niet met je eigen auto?" zegt, ik dat inderdaad besluit te doen en Ed vraagt of hij dan mijn bijrijder mag worden, lijkt mij dat een prima plan. Temeer daar Ed Russisch spreekt en geheelonthouder is.

Dat dat Russisch handig kan uitpakken ligt voor de hand: de rally gaat van Amsterdam naar Odessa, in Ukraïne. En dat was vroeger Sovjet-Unie, dus daar spreekt men Russisch ja. Da.

Dat geheelonthouden zal om een hele andere reden handig uitpakken. Het rallyreglement kent namelijk een drietrapsklassement. Zo vroeg mogelijk aankomen in de finishplaats van de vier racedagen is trap 1. Maar de €700,- deelnemersgeld levert niet alleen deelname, dagelijks een hotel en een avondmaaltijd in een gereserveerd restaurant op, doch ook VIP-toegang tot een nachtclub. En zo lang mogelijk aanwezig zijn in die nachtclub is trap 2.

Ieder team moet, daarbij, voor elke ochtend NA het feest in de nachtclub een 'designated driver' aanwijzen, die dan voor vertrek moet blazen. Alcoholtest positief? Dan kan het team niet vertrekken en moet men wachten tot de 'designated driver' weer negatief test.

Dat is dus handig, omdat ik, voor 'Team Taxi Adriaan', Ed vier dagen lang als 'designated driver' op kan voeren, en zelf de punten kan gaan binnenhalen op het feest, als 'designated drinker'. Tops.

Trap 3 is de hoeveelheid ingezameld geld, voor het goede doel. Het goede doel is Stichting Spoetnik, die humanitaire hulp aan Ukraïne verleent.

Stichting Spoetnik doet dat middels een veelheid aan projecten. Het project waaraan de Amsterdam-Odessa Rally 2007 zich verbonden heeft, is het steunen van een specifiek psychiatrisch ziekenhuis. De filosofie van Stichting Spoetnik is dat ze geen geld overmaakt, maar spullen brengt. Die koopt ze ter plekke of zamelt ze in, in Nederland.

En zo komt het op de stickers: 'Ams-Odes Rally 2007, Psychiatric Aid for Ukraine'. Stickers die wij, overigens, voorlopig nog niet op onze auto's plakken. Wij vertrekken namelijk op dezelfde dag als de Quote Rally en nog een andere, en de autoriteiten in zowel Nederland als Duitsland zijn nogal scherp op verkeersregelbrekende rallyrijders, de laatste tijd. Dus dan maar in vermomming, richting eind-van-Europa.

Dag 1 24.08.2007: Amsterdam-Praag

De eerste etappe, van Amsterdam naar Praag, lijkt op voorhand een saaie te gaan worden. Goede wegen, door beschaafde landen, immers. Zaak dus, om de zaak wat te verlevendigen. Daar zorgt Edwin onmiddellijk voor. Keurig op tijd klaar, sta ik bepakt en bezakt met mijn Opel Combo Diesel (in bedenkelijke kringen bekend als 'de Chielmobiel'), voor de deur van Taxi Adriaan, in de Waarderpolder.

Ed kan nog niet weg: er moet nog loon overgemaakt worden, mensen geïnstrueerd worden, macht tijdelijk overgedragen worden, er moet nog dit, er moet nog dat. Ik haal zijn spullen uit de Citroën C3 (en al het andere, dat krijg je ervan als je "Ook alle losse objecten!" tegen me zegt, dan neem ik zelfs de dakhaas en de ritbonnetjes mee, terwijl ik mij afvraag waarom Ed die in Godsnaam mee wil nemen - dat wil-ie ook niet, blijkt later, maar die dakhaas gaat ons nog diensten bewijzen) zak moedeloos ineen achter mijn stuurwiel en wacht. Snel wordt dat grimmiger en begin ik een in tempo en terzakedoendheid toenemende toeterij.

Het helpt, maar niet genoeg: het duurt lang, voordat Ed naast me aanschuift. Onmiddellijk zet ik het op een planken, richting partyschip 'Odessa', aan de Oostelijke Handelskade te Amsterdam.

Daar is de start, namelijk, en die belooft wat. Er zal 'Le Mans'-style naar de bolides gerend worden (ik wil mijn bestelwagentje best tussen de Audis (2), Lexus LS400's (2), MGs (1), Saabs (3), Volvo stationcars (2) en Landrovers (1) zien staan), en Adrianus heeft mij aangekondigd dat-ie vals gaat spelen door, als de rest wegrost, doodgemoedereerd weer uit te stappen en een bak koffie te gaan drinken op het partyschip, om dan onderwijl het Korps Landelijke Politiediensten de kentekens van de andere auto's door te geven, en daarna rustig met 110 kilometer per uur het land te verlaten. Hij heeft me uitgenodigd daaraan mee te doen en ik heb, om het kolderieke ervan, maar vooral met het oog op die kop koffie, ingestemd, dus zie ernaar uit.

Dat valt vies tegen, bij aankomst op de kade. Er is niemand meer, en het partyschip is dicht.

Geen start, geen koffie. Wel 1 ander laat team, in 1 van de twee Volvo's, dat bovendien op dat moment de beker-voor-de-winnaar toegeschoven krijgt van mij onbekenden, die kennelijk daarmee ook te laat arriveerden.

Ed en ik twijfelen geen moment: wij ZULLEN naar Odessa, rally of niet. En dus de sokken erin, terwijl ik Adrianus bel.

Die heeft zijn dreigement niet waargemaakt. Daar is hij namelijk te aardig voor, een eigenschap die hem later, klassementsgewijs, nog zal gaan opbreken.

Maar voorlopig rijdt hij bij Amersfoort, en hard gaat het niet: er is sprake van spits.

Zo loopt de rest van de rijders pas op ons uit in het Duitse. En omdat Ed en ik een strakke strategie hebben inzake stops (wij combineren alles, dus toiletteren alleen waar we ook tanken, eten en drinken), maken we een best tempo, terwijl wij langs Colditz naar Tsjechië rijden (helaas geeft het geen tijd voor bezichtiging). Toch gaat het vlak voor Praag nog even mis.

Daar worden we door de politie tegengehouden op de afslag van de snelweg (die hield, toen ik er de vorige keer kwam, doodleuk op, maar is inmiddels afgebouwd) die we moeten hebben. Verderop is een ongeluk gebeurd, dus daar kunnen we niet heen.

Omrijden richting Teplice. Op zich geen probleem, ware het niet dat de B-weg waar we op terechtkomen volstaat met file. Zoeken naar een alternatief dus. Ik probeer dat met mijn TomTom te vinden door tegen 'm te zeggen dat de snelweg niet mag, maar maak daarbij een fout, en verwijder het verkeerde wegnummer uit de planning, waardoor TomTom ons blijft terugsturen naar de snelweg.



Tot grote ergernis van Ed, die TomTom een nieuwerwetse niksigheid vindt, en dus wil stoppen om een kaart te kopen. Ik (al jaren klemvast de aanwezigheid van papier in mijn leven bevechtend) weiger dat botweg, en slaag er uiteindelijk in TomTom te doen ophoren. We komen op een andere B-weg, en die brengt ons langs Lidiçe (plaatsje dat ooit door de SS volledig is uitgeroeid, tot en met de kippen en honden, waarna er een park overheen is aangelegd - dit alles als wraakoefening inzake de moord op Reinhard Heydrich in Praag; helaas geeft het geen tijd het monument te bekijken) naar Praag.

In Praag brengt TomTom ons feilloos bij Hotel Evropa op het Wençeslasplein, waar Reinhard Spronk (vlaggenist, geen familie van Heydrich) ons opwacht met een enorme finishvlag (en ik opzien baar met mijn uitmonstering: voor vandaag heb ik mijn WandelSoc.-spring-overall aangetrokken, met wing en linten).



We zijn niet eens als laatste gearriveerd, en zetten ons daarom tevreden aan het bestickeren van de auto.

Na inkwartieren in het Mövenpick-hotel volgt het avondeten, in restaurant Mlynec, naast de Karelbrug. Minimalistisch, maar van grote kwaliteit. Dat mag ook wel want, meldt het draaiboek, 'Mlynec's Marek Purkart is the first chef in the Czech Republic to receive the Michelin Bibendum award, twice.'. Heel prettig, met champagne bij: een feestje, heel verdiend.

Na het avondeten verkast men naar club Mish Mash, en men doet dat per taxi. Daar besluit ik, op aangeven van Ed, niet aan mee te doen: die wil liever door Praag erheen lopen, en dat lijkt mij fijn, niet louter voor de spijsvertering. Ik werd ooit zwaar getild door een taxichauffeur, alhier (Praag is verpester dan, bijvoorbeeld, Brno, inzake toeristen), dus ik gun ze geen moer. Bovendien, nuttiger om iets van zo'n stad te zien, nu je er toch bent, dan erdoorheen te razen in een auto, nietwaar?

Waar. Ik stel vast dat de stad waardoor ik ooit met Max een rijtoer met paard en wagen maakte, nog net zo mooi is. Wij vermaken ons om een buitenissig kunstwerk: een enorme pump, van binnen beschilderd met wulpse vrouw.



Wij bewonderen het uitzicht op kasteel Praha vanaf de brug over de Vltava en schuiven, na een klim de heuvel op, aan in een biertuin, met bij de daartoe neergezette kiosk gekochte drank (frisje voor Ed, uiteraard). "Dat heb je nou nergens anders", glimt Ed. Maar ik herinner mij dat dit als twee druppels water lijkt op de biertuin-boven-de-kloof, aan de Aare in Bern, dus vertel hem dat. Het is er niet minder genoeglijk om. Bij het doorlopen van de wijk achter de biertuin verbazen wij ons om een Hollands kaaswinkeltje (Heus! Met vestigingen alhier en in Amsterdam, blijkt!).

Bij club Mish Mash worden we, aan de deur, geweigerd. Althans, we mogen er wel in, maar tegen de volle entreeprijs. Dat is tegen de afspraken, we hebben al betaald vooraf, per slot van rekening. Dieven, die portiers! Ze zien er trouwens ook allemaal uit als net weer vrijgelaten criminelen. Ik SMS Adrianus, die onderneemt actie, en even later verschijnt het Belgische contact van de rally-organisatie alhier, dat ons op zijn kosten naar binnen loodst en stelt het later te zullen verrekenen met de club-eigenaar.

Prima. Wat volgt is een lange nacht in een buitenmodel discotheek, met (tot grote vreugd van de vlaggenist) geile wijven en (moeilijk, omdat er met mijn veertigers-ogen slecht leesbare consumptiebonnen worden uitgedeeld, die echter soms voor sterke en soms voor gewone drank, en altijd met meerdere mogelijke keuzes, zijn bedoeld) drank en muziek. Vlak voor de sluiting blijkt een dame in mij geïnteresseerd. Ik denk "Ja reuze leuk, maar ik heb hier een klassement te winnen, en het ziet ernaar uit dat Farid zo instort, dus je kunt me wat.". Teleurgesteld druipt ze af.

Een minuut of vijf later stort Farid inderdaad in zoverre in, dat hij als laatste aanwezige van de organisatie de aftocht blaast naar het hotel. Prima, ik ben in ieder geval met de laatste drie of vier lui overgebleven: missie volbracht.

Dag 2 25.08.2007: Praag-L'viv

Maar dat heeft wel een nadeel, blijkt. Boven op de kamer is er nog een half uur, of wat, voor vertrek. Ik douch en val op bed. Voor mijn gevoel onmiddellijk maakt Ed mij weer wakker, en even later staan Farid en ik in de hal te giechelen, in de wetenschap dat wij niet hoeven te rijden, voorlopig.

Er komt groen licht voor vertrek, en dan bewijst zich onze teamstrategie. Ed heeft namelijk, de avond tevoren, toen ik in de club was, zijn tijd benut door niet alleen uit te zoeken hoe-ie de volgende ochtend het snelst de stad kon uitkomen, maar die route ook voor te rijden.

Zo duiken wij dus direct naast het hotel de tunnel in, en voor we het weten zijn we via de E65 op weg naar de Poolse grens. De eerste die ons voorbijrijdt, daarna, is Adrianus, met naast hem een onzichtbare, want plat slapende Tom (die is ook tot het gaatje gegaan in de Mish Mash), maar dan zijn we al een uurtje of wat op weg.



Dat we richting Polen trekken hebben Ed en ik de avond tevoren al samen bekokstoofd; het was of dat, of door Slowakije, maar dat had een extra grens, dus tijdverlies opgeleverd, op weg naar Przemyśl. Przemyśl? Przemyśl. Daar moeten we heen, want bij die grensovergang, tussen Polen en Ukraïne, zal vandaag de finish zijn.

Dit omdat, normaliter, het oversteken van die grensovergang zo'n 12 uur duurt. De organisatie heeft daarom geregeld dat de Nederlandse consul in Ukraïne ons zal begeleiden over die grensovergang, en vandaaraf met ons in konvooi zal meerijden naar L'viv.

Zo gezegd, zo gedaan - maar eerst moeten we door Polen heen. En hoewel dat nog prima wegen zijn (zo prima dat ik een tijdje tevreden in slaap val, naast de rijdende Ed), verloopt het niet vlekkeloos. Er zijn namelijk wel erg veel wegwerken, en die zorgen voor flinke vertraging.

Langs Oświęcim (weer: jammer dat het geen tijd geeft, voor bezichtiging) en Krakow valt dat nog allemaal mee: het rijdt lekker door en terwijl ik (inmiddels achter het stuur, na een tank- en vochtstop) de sokken erinzet zie ik Edwin vanuit het rechterraam rare dansbewegingen maken, met zijn arm, eruit. "Wat ben je in Godsnaam aan het doen, Ed?" "Aan het spelen, met de wind." Ik constateer tevreden dat Ed aan het relaxen is. Die buit is alvast binnen.

Maar lang zal dat, vandaag, niet duren, want na Krakow is het bal. Uren staan wij stapvoets stil op een tweebaansweg, terwijl wij, over de tegenoverliggende rijbaan, te pas en te onpas voorbij worden gestoken door sneller accelererende (Poolse) vehikeli dan ons' Combo - en als het dan eindelijk lange leegte geeft, voor ons, gaat het vanzelfsprekend mis.

Terwijl Edwin mij aanvuurt, en ik zoveel mogelijk snelheid maak om, over de linkerweghelft, met hevig ronkende motor drie voorliggers voorbij te steken, besluit de voorste daarvan, een klein rood autootsje, plotseling linksaf te slaan. Mijn weg versperd. Ontwijken onmogelijk. Het leven wordt een trage herhaling, scherp in slow motion.

Wat rest is een harde hijs, naar links, aan het stuur. Wij schampen de voorligger met rechts. Er klapt een spiegel, ergens, en dan komen wij, al afremmend, met krijsende banden tot stilstand - in de berm, tegen een paaltje.

We stappen uit en bekijken de schade. Eerst aan het de auto van het slachtoffer. Die blijkt intact, behalve de linkerspiegel, die er los bijhangt - maar al vastgeplakt was met ducttape.

Dan aan onze eigen kar. Onze rechterspiegel is eraf, die ligt aan barrels gebarsten in de berm, en in motorkap en bumperbalk zitten een flinke deuk - maar gelukkig is de radiator niet geraakt en lekken we geen vloeistof. Wij zijn er snel uit: we bieden de dame, die een Canadese van origine, geëmigreerd naar Polen, blijkt te zijn, geld voor haar spiegel.

Maar daar wil zij niets van weten. Zij wil per se politie, erbij. Potdorie. Terwijl wij voorbijgeraasd worden door tenminste twee concurrerende teams (wij zien een schim van een Volvo station, en de Mitsubishi van Team 'The Mitsu strikes back'), besteden wij de tijd dan maar aan het invullen van een schadeformulier.

Dat uiteindelijk niet gebruikt gaat worden, want als de politie arriveert is die vrij kortaf. "Mens, maak je ons daarvoor wakker? Doe niet zo mal, neem dat geld aan van die Nederlanders, en donder op.", is zo ongeveer de strekking. Dat doet zij, maar 'dat geld' is dan inmiddels wel €120,- geworden: een belachelijk hoog bedrag, in het Poolse, voor een spiegeltje.

Maar dan zijn we ook wel van haar af en kunnen we onze reis vervolgen. Die verder voorspoedig verloopt, maar als ik, uiteindelijk, bij Przemyśl de parkeerplaats opdraai en tot stilstand kom temidden van de rallybolides en een juichend onthaal van onze mederallyrijders (inmiddels door Adrianus op de hoogte gesteld van onze wederwaardigheden), doe ik dat trillend, met een zucht van verlichting, en tranen in mijn ogen. Tsja. Tevreden over mijn reflexen, blij met de goede afloop, maar een ongeluk blijft een ongeluk: ongeluk.



Maar de saamhorigheid grijpt nu duidelijk om zich heen, en dat doet grote deugd. En daar komt ook nog eens bij dat we, weer, niet eens als laatste team eindigen: Team 'Bokito', dat van de organisatie, zit in hun Chrysler Voyager nog achter ons.

Met vlaggenist en al, want er gingen geen vluchten van Praag naar Przemyśl, dus hij moest wel met de auto.

Maar Reinhard is niet de lulligste, dus als hij aankomt springt hij met megavlag uit de auto, en vlagt ons alsnog allemaal af.

De wachtende consul, intussen, moet dat nog even blijven. Iedereen heeft inmiddels kennis met hem gemaakt. Aardige vent, al ben ik persoonlijk wat teleurgesteld dat de vertegenwoordiger van Harer Majesteits regering in den Ukraïense vreemde geen woord Nederlands spreekt. Maar zo gaat dat nu eenmaal.

Hij moet, in ieder geval, nog even wachten, want de Bokito's reiken de dagprijzen uit, bij deze finish. De 'Bookhouse Boys' krijgen de dagbeker van gisteren, en Team 'Spoetnik' die van heden.



Daarna vertrekken we daadwerkelijk richting grens. Daar aangekomen vormen we een rij op de VIP-strook, waar ik, ten bate van een fraaie foto, de Taxi Adriaan-dakhaas die van de C3 komt op het dak van de Combo hijs. Dat levert een prachtig plaatje op.



Onderwijl praten wij met mensen in de 'gewone' rijen.

Vooral truckchauffeurs, van soms overmatig zwaar geladen en daardoor scheefgetrokken vrachtwagens met plat uitgelopen banden. Ze staan er, inderdaad, al een uurtje of tien.

Voor het eerst zien wij wat typerend zal blijken, voor grenzen in deze contreien: het onopvallend van eigenaar wisselen van biljetten, waarna bureaucratie als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Daar hebben wij hier nog niks mee van doen: want dankzij de consul passeren wij, iedere wagen wel afzonderlijk nagekeken op verzekeringspapieren en inhoud, en voorzien van een bewijsje dat we met de auto het land in zijn gekomen (de consul legt uit dat je dat dan weer in moet leveren bij verlaten van het land, omdat auto's importeren voor geld goeie business is; hij zet ook de illegale praktijk uiteen die behelst dat je je Europese auto voor driedubbele daarwaarde verkoopt, hetgeen de koper wil omdat het 'm de invoerrechten scheelt, dan 24 uur wacht, dan je auto als gestolen opgeeft en dan het land per vliegtuig verlaat, hou je nog een aardig bedrag over, een praktijk die de consul natuurlijk wel afkeurt), in 3 uur de grens.

Maar inmiddels is het donker, en daardoor wordt het alsnog moeilijk. De consul heeft aangekondigd graag met ons door L'viv te wandelen, als gids bij een kleine rondleiding, maar we voelen allemaal aankomen dat we dat niet gaan redden. Hij doet er wel alles aan: wat nu begint is een dodenrit, over zeer slecht wegdek, in het totale pikkedonker. Over onverlichte wegen met venijnige drempels en grote gaten, scheuren de eerste auto's zo hard weg en langs het overig verkeer, dat de rest in groeiende mate moeilijkheden heeft ze te volgen. Er wordt weliswaar 1 plaspauze gehouden, maar die haalt 1 wagen al niet meer, en tegen de tijd dat we in L'viv aankomen, door de stad dwars door rood gierend, en ongezond hard over kinderhoofdjes stuiterend, is de tocht verworden tot een free-for-all en zijn er zeker 3 wagens gelost.

Er zijn er die zich daaraan ergeren. Edwin, bijvoorbeeld. "Dat 'konvooi rijden' van ze slaat nergens op! Stelletje asocialen!" En Adrianus, die er ook nog niet is als wij al aan het bier zitten.

Maar ik ben het, aan de andere kant, met Farid eens dat bij succesvol rallyrijden ook de assertiviteit hoort dat je zelf het adres weet te vinden waar je heenmoet. Opgegeven is het tenslotte, in het draaiboek dat iedereen heeft.

Waar ik wel vraagtekens bij zet, is dat harde rijden in het donker. Overdag is 1 ding, dan kun je nog overzien en inschatten. 's Nachts, op slechte wegen in een onbekend land vind ik dat een heel andere zaak. Ik ben blij dat er niets misgegaan is, maar beschouw dat als geluk.

Adrianus gaat, bij het eten in het overigens uit-ste-ken-de huiskamerrestaurant Kupol (met ècht Russisch eten, waaronder kaviaar), nog veel bozer worden.

Hij en Tom worden namelijk, als 'Pirates of the Ukraine', samen met twee andere teams gediskwalificeerd door de Bokito's, omdat ze te vroeg uit Praag vertrokken. "Maar jullie zeiden zelf dat we mochten gaan!"



"Sja," is het antwoord van de Bokito's, "alles mag - maar je weet wat er in het reglement staat.".

Dat vind zelfs ik wat te ver gaan, omdat je als organisatie toch mag verwachten dat deelnemers je woord als wet beschouwen, dus terecht het "Je mag gaan" als veilig sein voor vertrek opvatten. En omdat bijna iedereen er zo over blijkt te denken, halen de Bokito's uiteindelijk bakzeil, en zetten ze de diskwalificatie om in een tijdstraf, groot het aantal te vroeg vertrokken minuten.

Intussen gebeurt, nog voordat iedereen klaar is met eten, min of meer hetzelfde met de rit naar het hotel, als met de rit naar het restaurant: de consul c.s. vertrekt, en wie er niet achteraanrijdt, mag zelf uitzoeken waar het hotel is. Ed en ik rijden erachteraan maar raken ze direct kwijt. Geeft niet: het Dnister hotel blijkt, vrijwel onmiddellijk daarna, om de hoek te liggen.

Eenmaal ingekwartierd besluiten Aad en Ed, als designated drivers, samen te spannen voor de exitverkenning. Zij gaan dus de uitvalswegen uit de stad op de kaart checken en voorrijden. Tom en ik vertrekken, intussen, vrolijk naar de club, Millenium. Het blijkt een enorm ding met twee verdiepingen en een groot podium voor de DJ, met een reusachtig diascherm erachter.

Wat verder opvalt is wat in (voormalig) Russische gebieden heel normaal schijnt te zijn: als politie uitziende bewaking binnen de club. Dit ondanks het feit dat bij binnenkomen iedereen onderzocht wordt op wapens, middels poortjes en eventuele fouillades.

Die bewakers houden zich uit verveling dan maar bezig met pietluttige dingen: zij gaan bijvoorbeeld over de rooie als je dreigt te proberen met een drankje in je hand de dansvloer op te stappen.

De dames, intussen, zijn hier soms prachtig, maar beslist onbenaderbaarder dan in Praag.

Dat belet Martin Plak (zowel mede-rally-organisator als, als enige, geen deel van Team 'Bokito', maar van Team 'Psycho Riders') niet ze naar zijn hand te zetten. Martin is namelijk ook nog DJ, en heeft geregeld dat hij een set mag draaien als 'DJ M-ART-IN STONE from Amsterdam'. Compleet met grote dia achter zijn hoofd. En hij krijgt ze aan het dansen, dus daar schiet ik dan weer schitterende film van, tot ons beider genoegen.

Na het inrijden van de exitwegen verschijnt ook Ed nog in de club, maar die taait weer af als de tent sluit. Ik vertrek dan, in select gezelschap, naar een zeer louche lapdanceclub in een buitenwijk. Hilarisch blijkt daar het deurbeleid. De tent staat namelijk eigenlijk op punt van sluiten.

Maar een soort van tolkende portier onderhandelt voor ons met het beneden in de kelder aanwezige, voor ons onzichtbare personeel. De eisen die dat stelt om ons toe te laten veranderen per keer. "Jullie moeten minstens 20 bier kopen, en dan voor 100 hryvnia (de Ukraïense munteenheid, die Ed en ik al snel en permanent "gribi's" zijn gaan noemen) per lapdance de lapdances." "Prima, als we maar wat kunnen drinken."

De man verdwijnt naar beneden en komt terug.



"14 bier, en dan 100 hryvnia per lapdance." "Prima, als we maar wat kunnen drinken."

Dat gaat zo drie of vier keer heen en weer, en ons antwoord blijft hetzelfde. Uiteindelijk mogen we naar binnen en treffen daar het personeel in grote verwarring aan. We worden nog een keer gewaarschuwd dat we een minimum hoeveelheid bier moeten afnemen. "Prima, als we maar wat kunnen drinken."

Dat krijgen we uiteindelijk, en tegen de tijd dat we alsnog met de laatsten, per taxi naar het Dnister hotel terugkeren, zijn er dingen gebeurd die ik hier niet ga beschrijven. Ik ontken ook ten stelligste dat 1 van ons naakt op het danspodium heeft gestaan met een op haar kop aan hem vasthangende naakte dame, laat staan dat ik mij herinner wie dat was.

Ik heb intussen in ieder geval een goed gesprek gevoerd met de portier, die dat helemaal niet blijkt te zijn, maar een Belgische para en piloot, die eigenlijk net van plan was te vertrekken toen wij arriveerden, maar mateloos geïntrigeerd is door ons rally-verhaal.

Dag 3 26.08.2007: L'viv-Kiev

Terug in het hotel bezet de groep het terrras, voor nog een biertje. Ik doe mee, maar als het partyklassement voor die dag beëindigd wordt, taai ik af, en ga ik ter kamer douchen, omkleden en de boel inpakken.

Op weg naar de auto met de eerste twee tassen, waarbij ik het hotel niet via de gelijkvloerse lobby, maar het terras op de eerste verlaat (dat kan, daarvandaan loopt een wandelpad schuin omlaag naar de parkeerplaats. Dat is wel afgesloten met een hekje, ontdek ik als ik daar voor kom te staan, maar kniesoor die daarop let: ik spring er met twee tassen overheen), word ik aangehouden door een hotelbewaker, die kennelijk denkt dat ik probeer weg te komen zonder te betalen.

Ik lach me een kriek en probeer hem uit te leggen dat er nog veel meer tassen en een Edwin boven zijn, dus dat dat niet het geval is, maar hij is onverbiddelijk: ik moet mee terug het pand in, naar de receptie, en daar bewijzen dat het goed gaat. Mij een biet. De tassen in de wagen gesloten, begeef ik mij met hem naar de hal. Kan ik in ieder geval de beeldschone receptioniste nog even in de ogen kijken.

Gaat natuurlijk goed, en zo kan ik daarna de rest gaan inpakken. Vervolgens zit ik in de auto een hele tijd op Edwin te wachten. Achteraf blijkt dit het moment van de grote groepsfoto te zijn geweest. Sja. Bij de start komt vervolgens niemand weg, want omdat er nog een rekeningetje van iemand openstaat houdt het personeel de slagbomen van de parkeerplaats dicht.

Maar dan zijn wij, en de 'Pirates of the Ukraine', allang pleite. Want Ed en Aad hebben onze auto's gisteravond zo geparkeerd dat wij niet door de slagbomen hoeven, en direct de uitvalsweg oprijden. Ik val onmiddellijk in slaap, terwijl Ed de Combo over wegen stuurt waarvan hij later zal zeggen dat het de slechtste van de reis zijn (ik geloof dat bij schrijven dezes nog steeds niet, omdat ik mij niet kan voorstellen dat er slechtere weg bestaat dan die in Moldavië van later, maar dat terzijde).

Terwijl ik slaap, pakt Ed een grote steen mee van dit stuk weg, die middenop de rijbaan stond, en die hij later als extra trofee wil uitreiken aan de winnaar. Daarnaast ontsnapt hij aan een bon. Want terwijl hij, inmiddels bijgehaald door diverse andere teams, op een rotonde aanrijdt, scheurt Aad met z'n Lexus zo hard om die rotonde, dat de verbijsterde smerissen aan gene zijde ervan in woede ontploffen. Aad heeft daar niks van, die is dan al door- en weggestoven, en verdwenen in de verte (hij zal, later, dit stuk rally beschrijven als een "jongensdroom met boytoy" en, onder andere, de slapende Tom wakker maken door airborne te raken met de wagen). En die smerissen, die vieren hun onthutste woede niet bot op Ed. Want die raakt van de rotonde in verwarring, stuurt er te vroeg af, en komt er dus later weer op terug. Tegen de tijd dat dat gebeurt, kan hij langs 'Always a surprise' rijden, die op dàt moment wèl het haasje zijn. Het zal, blijkt later, de grootste struikrovertruc van de race worden: Pim Landman raakt €750,- lichter! Hier is een smeris langgg op vakantie gegaan, wat ik je brom.

Die struikrovers, dat is overigens heel normaal langs dit soort wegen. De politie verdient namelijk zo ongeveer niks, net als de rest van de bevolking (€3,- is een dagloon). Dus wat doen ze dan? Dan gaan ze langs de weg staan met een laserkanon, waarop ze het getalletje laten staan van de auto die die dag het hardste langs ze reed. En als JIJ dan te hard rijdend voorbijkomt (daar zijn ze dan wel weer heel eerlijk in, valt me op: ze houden je niet aan als je niet ook te hard rijdt), dan komt zo'n misplaatste Mladiç (daar lijken ze namelijk op, vanwege de kepi) blij op je af met z'n föhn, en zegt-ie "U reed hier 168, meneer, dat gaat u geld kosten!".

Normaliter maakt Edwin er dan een sport van om dat soort gasten geen duimbreed te geven en er desnoods voor te gaan zitten. "Ze schrijven maar een bon uit - kunnen ze toch niet verantwoorden, administratief." Want, is zijn redenatie, als wij zo'n man 20 euro betalen, en hij per dag 3 van die buitenlanders aanhoudt (een gewone Ukraïner betaalt bij boete natuurlijk maar 1 euro of zo) dan verdient zo'n man meer dan wij westerlingen, verhoudingsgewijs. En dat is schandalig, als je het vergelijkt met de armoede onder de rest van de bevolking.

Zit wat in, maar we zijn hier bezig met een rally. Dus als wij, kort na mijn ontwaken, zelf voor de eerste en enige keer aangehouden worden door een verkeersagent, betalen wij die inderdaad €20,-, omdat we dan tenminste door kunnen rijden. Maar eerst hebben we een gezellig gesprek met 'm, waarbij we de rally uitduiden, en mijn debiele uitmonstering.

Waar ik namelijk gisteren, met het oog op de te passeren grensovergang, nog koos voor decent en onopvallend zwart, heb ik, nu ik weet dat er geen grens meer komt, de grens overschreden door mijn Yoghurt-uniform aan te doen: fel azuren blazer, roze ruchesbloes, felgekleurde ringen met nep-edelstenen van plastic, en gouden rappers-pimpketting. De smeris is natuurlijk verbijsterd, maar geamuseerd als wij uitleggen dat ik rockzanger ben. We mogen verder, en hij fluistert ons ook nog in dat er over 20 kilometer weer een föhn-met-een-smeris-eraan staat te wachten. Handig! Dan weten we dat! Wij rijden ze heel rustig voorbij. Dat hadden we eigenlijk niet moeten doen, wij laten hier een gouden kans liggen. Hidde van der Veer, niet in de rally-organisatie, maar eigenlijk ook wel, omdat hij het goede doel kende en dus bij elkaar bedacht voor dit ondernemen, had ons voor vertrek allemaal uitgedaagd het eerste team te zijn dat een smeris een bijdrage voor het goede doel afhandig wist te maken.

Dat hadden we nu kunnen doen. Ik denk dat we een aardige kans gemaakt hadden als we nu pro-actief gestopt waren bij die tweede controlepost, en daartegen gezegd hadden "Zeg! Jullie collega, 20 kilometer terug, heeft ons een bijdrage gegeven voor het goede doel! Kom ook eens over de brug?!".

Maar we doen het niet en rijden door. Vanwege de cultuurschok, wellicht. Cultuurschok? Cultuurschok.

Deze snelweg, van L'viv naar Kiev, zal mij tot dementie bijblijven. Die struikrovers zijn namelijk niet het ergste. Deze van origine prachtige vierbaans-snelweg (twee banen aan elke kant) wordt namelijk onderbroken door grote gaten van een meter in doorsnee en een halve meter diep. Niet inrijden, want dan is je carter kassie. Maar dat is niet het ergste.

Deze snelweg wordt namelijk ook nog onderbroken door met rode verf eroverheen geschilderde zebrapaden. "Zou het niet leuk zijn om af en toe eens voor zo'n ding te stoppen?", vraag ik later, in Kiev, aan Adrianus. "Heb ik vier keer gedaan!", zal hij dan antwoorden. Hilarisch, om van 270 kph tot stilstand te komen en dan vriendelijk zo'n oud dametje voor te laten. Gebeurt natuurlijk nooit, dus ze zal van schrik zijn omgevallen. Die zebrapaden zijn trouwens niet het ergste.

Op deze snelweg zijn paarden- en ezelkarren namelijk normaal verkeer. En die rijden maar 5 tot 10 kilometer per uur, dus daar moet je goed voor oppassen als je met 140 (of harder, zoals de andere teams) aan komt zeilen. Om nog maar te zwijgen over de fietsers, die doodleuk over de vluchtstrook fietsen, ook tegen de richting in. Het gaat namelijk sneller, hè, van dorp tot dorp, dan over de stoffige landwegen. Maar dat is allemaal niet het ergste.

Deze wegen kennen, van huis uit, namelijk maar twee soorten gemotoriseerd verkeer: uit elkaar vallende, rokende Lada's die ten hoogste 90 kilometer per uur rijden, en fonkelnieuwe, gitzwarte, van getinte kogelwerende ramen voorziene konvooien van 3 SUV's, PC Hooft-tractors dus, met in de eerste en derde gewapende mannetjes en in de middelste de mafia-baas, die rustig 160 tot 180 kachelen - een snelheidsverschil dat minimaal zo gevaarlijk is als dat tussen ons en de paardenkarren. Maar dat is niet het ergste.

Er zitten namelijk ook nog allemaal oude mannetjes en vrouwtjes langs de weg, die potjes jam verkopen, en fruit, en iets onherkenbaars dat eruit ziet als drogende wijnbladeren. Dus het kan zomaar zijn dat zo'n SUV-konvooi ineens de vluchtstrook opstuurt, zonder aangeven, om een potje jam voor oma mee te nemen (wij doen dat dan zelf ook maar eens, en kopen ons geen potje-jam-voor-oma, maar wel zo'n ding met van die drogende wijnbladeren - dat blijkt een slagroe te zijn voor in de banja, daar sla je elkaar dus mee verrot na de sauna, voor de bloeddoorstroming). Maar dat is niet het ergste.

De U-bocht, een in de gehele EU totaal verboden truc, is hier in Ukraïne niet alleen een toegestane, maar zelfs noodzakelijke manoeuvre. Het overkomt ons werkelijk! Op weg naar Kiev komen we een bord tegen dat ècht zegt "Voor Kiev: hier U-bocht maken"!

Dus dan moet je dwars door het gat in de middenberm en vangrail de snelweg oversteken, draaien naar de andere rijrichting, een paar honderd meter terugrijden, en daar dan de afslag pakken richting waar je wilt zijn. Vinden ze heel normaal. Waar heb dat voor nodig, een viaduct?

Dus wat je dan krijgt is een dwars op de rijbaan staande zware truckcombinatie, bezig met die u-bocht, terwijl iedereen daarop komt aanrijden met variërend van 0 tot 180 km p/u.

Ver-bij-ste-rend. Ik zal dit nooit meer vergeten.

Dat geldt ook voor de finish, in Kiev. Plots lijkt de wereld weer normaal: van die krankzinnige snelweg kom je vlak voor Kiev ineens terecht op wegen die horen bij een wereldstad: mooi, en nieuw, en breed. Steeds langzamer, want door drukker wordend verkeer, rijd ik de stad binnen.

Dan worden wij bijgehaald door de 'Psycho Riders'. Die beseffen dat Ed hier handig gaat zijn, omdat hij cyrillisch kan ontcijferen. Dus op zoek naar bar Mokko, de finish van vandaag (de TomTom helpt allang niet meer, we zijn bij de Pools/Ukraïense grens namelijk van z'n kaart afgereden), volgen zij ons.

Al snel lopen wij dood, op een e-norm voetgangersgebied. We zetten de auto's stil, aan de rand ervan, en Martin en Ed gaan verder verkennen, te voet. Bas en ik blijven achter, en wisselen dag-ervaringen uit.

Bij terugkomst van Ed en Martin blijkt de Mokko schuin links aan gene zijde van deze enorme voetgangersboulevard te liggen. Nu nog er komen, met de auto, want die moet onder de finish-vlag door, willen wij onze rechtmatige plaats in het klassement verkrijgen.

Nou, dat valt niet mee. Dat voetgangersgebied oversteken en aan de andere kant komen, dat lukt nog wel. Maar vervolgens het weggetje omlaag vinden waar de Mokko aanzit, dàt blijkt een drama. Ruim een uur rijden wij verbijsterd rond, geen steek verder rakend (wel enerverend allemaal, want de heuvel die omhoogleidt vanaf het voetgangersgebied is zo steil dat ik er alleen met rokende en krijsende banden, en in z'n 1 tegenopkom, zelfs met flinke aanloop). De 'Psycho Riders' geven het uiteindelijk maar op ons te volgen, verdwijnen in zo'n straat naar beneden en uit het zicht, terwijl Ed buiten de auto een bord staat te ontcijferen.

"Waar zijn ze gebleven?", vraagt hij bij terugkeer in de wagen. "Ze zijn die kant opgereden, hier naar beneden", antwoord ik. "Mooi! We moeten de andere kant op!" Zo gezegd, zo gedaan. Maar ook DAAR vinden we het gewenste straatje niet. Ook naar beneden gereden, staan wij aan de rand van het voetgangersgebied, een straat te ver.

En terwijl ik een vrolijke boom opzet met wat lummelende taxichauffeurs (Ed weigert voor de makkelijkste oplossing te kiezen, 1 van hun vragen om ons voor te rijden namelijk), die in mij automagisch een collega herkennen (heel vreemd, want dat staat nergens op onze kar en/of op mij), gaat Ed weer voetverkennen. Hij keert buiten adem terug.

"Omhoog! Het MOET 1 straat terug zijn! Het MOET daar zijn!" Hij zegt het ook tegen Team 'The Wolf', naast ons de heuvel afgezakt. "Rij maar achter ons aan!" Zo gezegd, zo gedaan. Wij rijden weer omhoog, met 'The Wolf' in ons kielzog, en slaan rechtsaf op de parallel aan het voetgangersgebied lopende weg. Op dat moment worden wij triomfantelijk voorbij gestoken door 'The Wolf', in hun Volvo. Uit het zonnedakje steekt een smalend middelvingertje. Stank voor dank. Daar zit je dan met je goeie gedrag. With friends like that, who needs enemies?

Maar als vervolgens ter rechterzijde de magistrale poort opdoemt, die de toegang is tot de Krechatic, waar de Mokko zit, ziet 'The Wolf' dat te laat en rijden zij er net voorbij.

Triomfantelijk steken wij achter ze langs, en onder de poort en de rollende finishvlag van Reinhard door. Gepakt! Ed's middelvingertje steekt smalend uit het rechterraam.

Daar zijn zij goed ziek van, hoewel het voor het klassement niet uitmaakt. Dat gaat namelijk niet op volgorde van binnenkomst, maar tijdstip van, en dat is nagenoeg gelijk. Dat geldt niet voor de 'Psycho Riders': die arriveren pas een uur na ons. Arme jongens. Wij zitten dan alweer een uur op het terras met de Pirates (die hebben de dagoverwinning geboekt - mede dankzij Ed's exitverkenning-en-inrij-strategie) en de rest, en na het bewonderen van een geparkeerde Lamborghini (Ed vindt het niks, maar ik raak amechtig, al is het uiteraard een volstrekt onpraktische auto op dit soort wegen, wegens z'n laagte) taaien wij dan ook af naar het Mir-hotel.



Dat blijkt ook nog moeilijk vindbaar, maar we vinden het, na fikse rondtocht.

Het Mir-hotel is een stalinistische kolos: bewaking op elke verdieping, vergane glorie alom, maar die dan wel keurig onderhouden: zelfs de slijtplekken in de stoelen zijn keurig afgestoft. Maar er is geen warm water, dus dat wordt koud douchen. Toch heel verfrissend. Ik ontdek, daarbij, ernstig gezwollen enkels te hebben, van het koppelen en gas geven. Tsssk. Dat krijg je van die wegen.

Helaas kan ik het hotel niet fotograferen want, ontdekte ik onderweg hierheen, ik heb mijn camera in het Dnister-hotel in L'viv laten liggen. Zelfs een telefonade, via Reinhard, met de achtergebleven Bookhouse Boy hielp niet: mijn Nikon was 'niet gevonden'. Sja. Achtergebleven Bookhouse Boy? Ja, want die kregen onmin, dus dat team is uit elkaar gevallen, 1 ervan reist naar huis, en de andere voegt zich bij de 'Royal Flush'. Zij zijn overigens niet het enige onfortuinlijke team: de 'Great Balls of Fire', die met de Landrover, hebben al twee dagen materiaalpech, arriveerden dus op dag 2 zo'n vier uur na ons bij de Ukraïense grens, en komen ook veel later in Kiev aan.

Anyway. Na het douchen volgt de taxirit naar steakhouse Steakhouse, door een avondlijk Kiev. Die rit maakt Ed niet mee: hij raakt, voor het hotel, in gesprek met twee in een auto rondlummelende dames (1 ervan is arts, wat de ander doet weet ik niet), en krijgt van hun een rondtoer door de stad - en daarna zet hij een boom op met onze vloerbewaakster, die hem helpt bij de exitverkenning voor de volgende dag.

Wij, intussen, gebruiken het avondmaal, dat redelijk, maar onopvallend is, net als dat hele Steakhouse: goed, maar geen donder aan. Ach, je kunt niet alles hebben, en ga er maar aanstaan, op duizenden kilometers afstand restaurants voor een rally regelen. Wij duiden het Farid daarom niet euvel.

Laat staan de club erna, want die is dan weer helegaar fantastisch. Nu gebeurt namelijk voor het eerst wat de rest van de week opgeld zal blijven doen. Het klimaat is hier relatief droog. En dat betekent dat men hier kan doen wat in Nederland niet kan: hele grote openluchtclubs bouwen.

Dus die Jeans Beach Club, die beslaat een stuk land van een kilometer bij 150 meter, met daarin toiletgebouwen, twee danspodia (waarvan 1 heel groot met een verlaagde danskuil en galerijen eromheen), een buitenprieel, eettentjes, en zelfs een heus stuk strand-met-ligstoelen, langs de oevers van de Dnjepr (dat is, als wij eenmaal op het Tivoli-achtige eiland aan de rand van Kiev zijn aangekomen en ons langs en door een permanent gevestigde kermis, met diverse andere clubs en restaurants daartussen, een weg hebben gebaand naar achterin een donker bos, waar dan de Jeans Club blijkt te liggen, inmiddels gesloten, en ik word er later op de nacht vanaf gesommeerd door een bewaker, die denkt dat ik zelfmoord wil gaan plegen door het water in te waden, terwijl ik alleen maar rustig sterretjes wil kijken, maar toch).

Werelds. Daar doet zelfs het feit dat we vrij snel door de van Farid uit geregelde drank heen raken geen strobreed aan af. En dat ligt trouwens ook niet aan Farid, maar aan ons, want de dorst is groot, na zo'n lange stoffige dag rijden.

Zo hebben wij reuze lol. Ik keer, uiteindelijk, als laatste terug in het hotel, en win dus het party-klassement voor de nacht (en daarmee volledig, want de andere twee nachten eindigde ik gelijk met de andere overblijvers) - maar niemand ziet dat, omdat de overgebleven organisatoren dan allang naar elders zijn afgetaaid met de overblijvers, toen ik even niet oplette en op dat strand stond te bakkeleien met die bewaker. Dat geeft niet, want de organisatie gelooft later mijn verhaal, als Erik van iedereen de eindtijd komt optekenen.

Maakt voor het klassement niet heel veel uit, omdat 'Team Taxi Adriaan' de 'Psycho Riders' en de 'Pirates of the Ukraine' natuurlijk nooit kan bijhouden qua rijden, gezien ons trage Combootje. Voor Tom zal deze nacht echter wel een staartje krijgen. Want omdat iemand uit de organisatie hem voorhoudt dat de Pirates (ALS ze doorgaan zoals ze nu bezig zijn), inmiddels zowel qua rijden als partyen onverslaanbaar zijn, besluit-ie er vroeger mee op te houden en gaat-ie om 03:45 terug naar het Mir-hotel.

Daar arriveert Martin pas rond 09:00, dus dat kost Tom een flinke dot klassement.

Dag 4 27.08.2007: Kiev-Odessa

Het vertrek vanuit het Mir-hotel kent vervolgens verontrustende overeenkomsten met dat vanuit het Dnister-hotel: de receptie heeft niet alleen het verkeerde paspoort aan een van ons teruggegeven, waardoor de rechtmatige eigenaar ervan moet gaan uitzoeken wie het heeft, en bij de receptie moet worden uitgezocht wiens paspoort er dan teveel ligt, voordat we weg kunnen - omdat de Bokito's, al dan niet vermeend, bij het uitrijden een geparkeerde wagen schampen, doet de parkeerplaatsbewaker ook nog ijskoud de slagboom omlaag en mag niemand die er nog op staat eruit.



Dat lost Edwin op, door als 'Evert van Benthum' van de 'Elfstedenweg' te Haarlem een schadeformulier te tekenen (schandalig, dat-ie Evert's naam niet eens ken spelle), en dat in zijn hand te duwen. Weg zijn we, en ik val weer tevreden in slaap. Een paar uur later word ik wakker op de prima, maar saaie snelweg van Kiev naar Odessa. Verbijsterend zijn daar wel de wegwerken. Er staan mannetjes de vangrail te vervangen, en dat gebeurt niet, zoals hier, met een kraan en hele segmenten tegelijk, maar met de hand, buisje voor buisje.

En dat doen ze dan ook nog eens zonder beschermende wegafzetting en pylonnetjes. Van ARBO hebben ze hier kennelijk nog nooit gehoord.

Kort voor Odessa worden wij, over de vluchtstrook, hilarisch ingehaald door de Bokito's, die met een enorme stofwolk verdwijnen... ...naar drie auto's voor ons, in de file op de inmiddels wegens grootscheepser werkzaamheden ernstig versmalde weg.

Edwin wil ze nog in gaan halen ook, maar dat praat ik uit zijn hoofd, onder meer door hem erop te wijzen dat we zometeen toch gaan stoppen, om de smokings aan te trekken. Eerst doen we nog een poging een kortere weg te nemen, door via een viaduct de B-wegen langs de kust op te zoeken, maar als dat viaduct nog geen op- en afritten blijkt te kennen, rijden we toch maar door, om uiteindelijk inderdaad de smokings aan te trekken, bij een benzinepomp aan de rand van Odessa.

Ik heb er namelijk twee, dus 1 daarvan meegenomen voor Ed, en de andere voor mezelf. Leek mij een gepast feestelijk tintje voor de finish. Zo rijden wij dus in smoking Odessa binnen, en komen wij, na wat doelloos rondrijden (waarbij ik bijna met geweld moet voorkomen dat Ed stopt om naar de kapper te gaan), uiteindelijk probleemloos bij de finishvlag, daarheen geleid door een vrindelijke autochtoon die voor ons uitrijdt. De smokings baren opzien en oogsten succes, dus wij zetten ons tevreden aan bier en burgers, bij O'Neill's Irish Pub. Wij praten daar gezellig met een propster (zo'n dame die net doet alsof ze je leuk vindt, maar uiteindelijk graag wil dat je met haar meegaat naar een veelheid aan horeca-etablissamenten, omdat zij daar commissie voor vangt), en een kerel die met een oldtimer aan komt zetten. Prachtige kar, dus daar schieten we meerdere groepsportretten voor en rond.



Diezelfde vent loodst Edwin, omdat-ie Russisch spreekt, ook nog even zijn appartement binnen, zodat Ed op de foto kan met een Ukraïense vlag en een oude Sovjet-mitrailleur.



Hartstikke leuk. Iets minder leuk is dat Ed uiteindelijk met ons overgeblevenen (en dan, gezien de geringe hoeveelheid beschikbare cash bij de rest, met name met Adrianus samen) de immense drank- en eet-rekening mag gaan afregelen, omdat de organisatie en meer dan de helft van de rally-deelnemers inmiddels zijn afgetaaid naar het Black Sea Hotel.

Daar komen wij ook terecht, maar dan wel nadat we eerst de bagage hebben uit- en weer ingepakt bij de verkeerde vestiging ervan.



Het Black Sea Hotel blijkt luxe en westers, heel prettig. Wij kwartieren er in, en pakken dan een taxi naar restaurant Balalayka, voor het afsluitende diner.

Restaurant Balalayka blijkt een ballentent, met serveersters in klederdracht en veel neppe wijnbladeren enzo, en bedenkelijk eten. De ietwat zwartgeblakerde steak blijkt, bij Pim van de 'Always a surprise' (die zijn teamnaam dus weer eer aandoet), voorzien van meegebakken made. Als hij daar de serveerster op wijst, begrijpt ze niet wat zijn probleem is. Sja. Ukraïne hè.

Dan vindt, na een inventarisatie van wat iedereen denkt te hebben opgehaald aan gelden-voor-het-goede-doel (dat weet natuurlijk bijna niemand zeker, omdat de rekeningen nog openstaan voor donaties), de prijsuitreiking plaats.

Wij blijken zevende te zijn geworden, van de veertien teams, mede dankzij mijn party-klassement. Zeer goed, daar zijn wij erg blij en tevreden mee. Edwin maakt van de gelegenheid gebruik om iedereen te bedanken en aan te kondigen dat hij de winnaar een extra steen en slagroe zal uitreiken. Die winnaar blijkt er niet te zijn. Want de organisatie kondigt aan dat de 'Pirates of the Ukraine' en de 'Psycho Riders' gelijk geëindigd zijn. Dat zorgt voor opgetrokken wenkbrauwen.

De Pirates eindigden namelijk (behalve de laatste dag, want toen kwamen zij tegelijk aan, Martin zat zelfs bij Aad en Tom in de auto bij de finish) alle dagen voor de 'Psycho Riders' en behaalden zelfs een dagoverwinning. De Pirates haalden bovendien vooralsnog 1000 euro op voor het goede doel, de 'Psycho Riders' ter Balalayka vooralsnog zo'n 100. En Tom was altijd als laatste weg op het feest, behalve dus in Kiev. Dus dan zouden die vijf uur moeten opwegen tegen de rest?

Ik heb geen idee of dat kan. Ik ben namelijk HEEL slecht in rekenen. Zeker is echter in ieder geval, dat Aad en Tom denken dat dat niet kan. Zij zijn bovendien verontwaardigd over het feit dat Tom dus verteld is dat hij onverslaanbaar was voordat hij drie uur en een kwartier eerder dan Martin naar het hotel in Kiev ging - maar die woede deel ik niet met ze, want ik ben het met de organisatie eens dat je niet meer onverslaanbaar bent als je je vervolgens laat verslaan - en over het feit dat ze bij de laatste etappe expres ingehouden hebben en anderen hebben laten voorgaan, omdat het anders te makkelijk voor ze was om te winnen (ze hebben zelfs onderweg bloemetjes geplukt, om die reden) - maar die woede deel ik niet met ze, want ik ben het met de organisatie eens dat je niet meer wint als je anderen laat voorgaan. Aad lijkt, kortom, te aardig geweest.



Toch geloven weinigen dat de organisatie gelijk heeft, en het geroezemoes is niet van de lucht. Dat maakt natuurlijk niet uit, want de organisatie heeft, als organisatie, ook gelijk als ze dat niet heeft, dus dat krijgt ze ook.

De organisatie besluit, na consultatie van de rijders, dat uit de patstelling 1 winnaar moet komen. Daarom wordt besloten tot een last-man-standing contest: beide teams moeten een 'designated drinker' aanwijzen en die moeten het, totdat er 1 omvalt, tegen elkaar opnemen in Club Ibiza, die avond, om zodoende te bepalen wie de winnaar wordt, van de Amsterdam-Odessa Rally.

Tom en Martin worden aangewezen als 'designated drinkers', maar Tom besluit vervolgens niet mee te doen: hij is beslist van plan naar de club te gaan, maar ook om gewoon af te taaien als-ie moe wordt, omdat voor hem de finishvlag bij O'Neill's ook het eind van de race inhield. Een houding die ik ondersteun en toejuich.

Dus als wij, even later, naar Club Ibiza vertrekken, is het sfeertje weer uitstekend. En dat blijft zo, want Club Ibiza is da bomb. Een openluchtdisco die, in witte pleister, is opgetrokken in Dali-stijl op het strand van Odessa, aan de Zwarte Zee, met een prima dansvloer, een vijver (ja heus), drie verdiepingen, overal loges en zithoeken, en... ...waterpijpen!

Aad en ik bestellen er onmiddellijk één (mij lijkt het ongevaarlijk, omdat ik vrij zeker weet dat ik na deze reis niet opnieuw aan de waterpijp zal belanden), met onderin champagne en bovenin kersentabak.

En hoewel ik natuurlijk inmiddels al zo'n zes jaar niet meer rook, weet mijn lichaam zich feilloos te herinneren wat het ermee aanmoet. Dus ik onderga een enorme nicotinekick, met daarbovenop een maniakaal giechelig randje van de champagne.



Reden voor grote vrolijkheid. Aldus geïntoxiceerd, beleven wij een prima avond, kijkend naar de dansenden, en zelfs ook nog wat zelf dansend.

Tussendoor doen Aad en ik een stukje strandbeleving, en hebben wij een goed gesprek op een in de Zwarte Zee stekende pier. Op de terugweg naar de Ibiza zien wij in het donker iets dansen. Het blijkt een totaal uit haar plaat gaande oude babuschka, die in dit niemandsland-tussen-nachtclubs geniet van de muziek die uit de, naast de Ibiza gelegen, discotheek Itaka knalt. Party on grandma!

Aan het eind van de avond komt er, bij het verlaten van de Ibiza, alsnog gezeik, omdat het dievig personeel net doet of er een onbetaalde rekening is (dat proberen ze aan te tonen middels een mistig kopietje met twee rekeningen erop). Ed staat daarover met ze te onderhandelen, als Pim Landman (van 'Always a surprise') er lucht van krijgt en explodeert. Hij blijft erop hameren dat het geld dat door de rally-organisatie betaald is al door het clubpersoneel is ingenomen. Dat is natuurlijk ook zo, maar lijkt mij niet zo relevant, dus probeer ik hem te bedaren. Maar zijn woede-uitbarsting leidt er wel toe dat het dievig personeel uiteindelijk toegeeft dat die overgebleven rekening, die dus nog niet betaald zou zijn, er nooit geweest is - uiteindelijk blijkt het ze alleen te gaan om fooi. Die Edwin met Pim en Scott (van de 'Insurance Racers') dan uiteindelijk maar betaalt.

Dat ook weer opgelost, tijgen wij terug, richting hotel. Maar we zijn er nog niet. Want terwijl ik wat oploop met Vince Blondeel Timmerman (van de Bokito's), worden wij bijgehaald door een onthutste Sybolt Boersma (van 'Always a Surprise', die zijn teamnaam dus weer eer aandoet). "Ik ben mijn telefoon kwijt jongens!" Vince, tegen mij: "Kun jij die man fouilleren?" Ik: "Ja hoor.". Sybolt blijkt geen telefoon te dragen. Vince, tegen mij: "Ik wist dat jij dat kon.". Ik, verbijsterd tegen Vince: "Hoe wist jij dat dan?" Vince, tegen mij: "Dat straalt van jou af.". En bedankt hè.

Ik, tegen Sybolt: "Heb je al gevraagd of ze die telefoon gevonden hebben?" "Nee." "Nou doe dat dan even, want nu is je laatste kans. Straks hebben ze opgeruimd en afgesloten, en dan zie je 'm nooit meer terug." Sybolt hobbelt terug en Vince en ik praten, al wachtend, vrolijk verder. Sybolt keert terug. "Ik heb 'm niet kunnen vinden." "Ja, maar heb je aan HUN gevraagd of ze 'm gevonden hebben?" "Nee." "Nou doe dat dan even, want nu is je laatste kans. Straks hebben ze opgeruimd en afgesloten, en dan zie je 'm nooit meer terug." Sybolt hobbelt terug en Vince en ik praten, al wachtend, vrolijk verder. Sybolt keert echter niet terug. Vince en ik besluiten poolshoogte te gaan nemen. Sybolt staat tussen een meute bewakers, met daarbij 1 autochtoon, die Engels spreekt en vertaalt.

"Wat is het probleem?", vraag ik die. "Ze hebben mijn telefoon gevonden en aan me teruggegeven", zegt Sybolt. "Mooi!", zeg ik. "Wat is het probleem?", vraag ik opnieuw aan de vertaler. "Sybolt heeft ze, volgens hun, €140,- beloning beloofd, voor de telefoon, vooraf, dus die willen ze hebben." Ik denk "dieven", maar ik zeg "Sybolt, heb jij ze dat beloofd?" "Welnee", zegt Sybolt, "ik heb ze helemaal niks beloofd - maar ik heb ze net 140 gribi gegeven in blije dank, voor het vinden van mijn telefoon."

"Ah", zeg ik, en dan tegen de vertaler: "Je hoort het. Er is geen probleem. Wij gaan nu weg. De mazzel." De bewaker overweegt heel even zijn opties, haalt dan zijn schouders verachtelijk op en draait zich om. "Zie je wel", denk ik, terwijl wij weglopen, "jij was gewoon bezig de boel te belazeren, vriendje.".

Wij begeven ons naar de taxistandplaats aan het begin van Arkadia Beach, het strandgebiedje waar de Ibiza deel van uitmaakt. En wij pakken een taxi met, heel ongewoon, een vrouwelijke taxichauffeuse achter het stuur. Haar uit elkaar vallende Lada brengt ons zonder problemen terug naar het Black Sea Hotel, maar als we daar zijn uitgestapt, raakt Vince in alle staten. "Ik ben mijn telefoon kwijt jongens!"

Ik, tegen Vince: "Die heb je dan vast in de taxi laten liggen. Want daarvoor had je 'm nog, toen stond je mijn nummer erin te toetsen. Bel 'm 'ns op met de telefoon van Sybolt?" Het ding gaat over, maar wordt niet opgenomen. "Probeer het nog eens?" Het ding staat plots uit. "Die ben je kwijt, dat is duidelijk. Heren, ik ga slapen, een goede nacht gewenst."

Ik laat een verbijsterde Vince en Sybolt achter en keer grinnikend terug op de eerste hotelkamer die ik deze reis ook het genoegen ga aandoen er daadwerkelijk een volle nacht in te slapen. Mijn missie is volbracht.

Die van Edwin echter niet: hij schopt, in de bar van het hotel, nadat hij ze gewaarschuwd heeft er niet over te beginnen, maar zij hem toch naar zijn mening vragen, een flinke pot heibel over de race-uitslag in bijzijn van, onder andere, Erik en Roy van de Bokito's en Bas van de 'Psycho Riders'. Ed vindt dat de 'Psycho Riders' niet terecht gelijk geëindigd zijn als er gerekend wordt, en voorzover dat zo zou zijn, al helemaal niet, om redenen die ik hier niet kan opschrijven (dat 1 van de 2 'last men standing' pillen gebruikt heeft om het in Kiev vol te houden en in Balalayka aankondigde dat ook in de Ibiza te zullen doen is een gerucht dat ik kan bevestigen noch ontkennen - je kunt je bovendien afvragen wie er onder de partypeople echt vies is van partydrugs).

Dag 5 28.08.2007: Odessa

Wakker geworden van de terugkerende Edwin, verneem ik van hem dat Aad en Tom inmiddels net naar buiten zijn gelopen voor het ontbijt. Ik besluit achter ze aan te rennen, en wij gebruiken het samen, in een veel te duur, maar verder prima westers restaurant ietsje verderop in de straat. En ik betaal het voor ze, omdat ik vind dat ze, als werkelijke winnaars van de Rally (want laat er geen misverstand over bestaan, ook ik ben van mening dat zij dat zijn), een kadootje verdiend hebben.

Wij constateren verder dat dames hier maar in twee varianten komen: ongelooflijk lekker, of als lelijk oud vrouwtje. Wij debatteren daar wat over, en komen erop uit dat ze zich, als ze 30 worden, terugtrekken achter de Oeral, om dan terug te komen als lelijk oud vrouwtje. 'De Verandering', noemen wij dat, en vanaf dat moment delen wij vrouwen in in 'wel meegedaan aan De Verandering' en 'niet meegedaan aan De Verandering' (wij laten daarbij dan wel de MILFs buiten beschouwing, een categorie dames-die-niet-meegedaan-hebben-aan-De-Verandering die Aad later toevoegt).



Daarna zwerven wij gedrieën door de stad, terwijl, na hazenslaap, Ed dat in zijn eentje doet (hij gaat, onder andere, naar de kapper). Zo lopen wij, gelokt door grote posters van objectieven, een wapenhandel in, waar de ridderharnassen in de gang het minst buitenissige aankoopbare artikel blijken te zijn: het loopt hier uiteen van visgerei, inclusief buitenmodel messen, via handvuurwapens tot sniperrifles-met-telescoopvizier-en-geluiddemper, tot AK-47's à €300,- 't stuk en zwaardere vuurwapens dan het Nederlands leger meedraagt naar conflictgebieden. Of ik ook een taser kan kopen voor in mijn taxi? "Nee meneer, dat is in Ukraïne een verboden wapen."

Op weg naar de Potemkin-trappen (beroemd van de film) dalen wij een andere set trappen af (wij zullen later van minimaal 1 ander team horen dat zij die per abuis hebben aangezien voor de Potemkin-trappen) als Aad plotseling eureka kraait.

Hij herinnert zich dat, tijdens de eerste rallyrijdersbijeenkomst voorafgaand aan de rally, in de Tara's op het Rokin te Amsterdam, vlaggenist Reinhard tegen hem zei: "Ja, en dat is leuk, zo'n rally, want op de een of andere manier eindigen er altijd een of meer teams gelijk, en dan houden we een last man standing contest!".

Nu valt bij mij dat kwartje ook. Ik stond erbij, en kan me dat inderdaad herinneren. Gevraagd hoe dat gelijk eindigen dan geregeld werd zei Reinhard: "Sja, je kunt als organisatie wat sturen hè", herinner ik mij nu ook nog.



Plotseling valt alles op zijn plaats. Het moet de Bokito's in vertwijfeling gebracht hebben, dat er zo'n verschil ontstond tussen de Pirates en andere teams, in het klassement. Want dan kun je die last man standing contest zo slecht organiseren. En dat je die wilt hebben, dàt kunnen we ons voorstellen, omdat je dan je laatste clubfeest, dat immers na de finish valt, interessant houdt, voor de mensjes.

Door deze ontdekking milder gestemd omtrent een en ander, stappen wij monter de neptrap af, aan de voet waarvan ik bij een klein kruideniertje een tekeningetje maak van een op golfjes uitkomende trap. "Ah, the Potemkin stairs!", roept men, en 1 bocht en 300 meter later staan we inderdaad aan de voet van die trappen. Maar dat valt tegen. Hun grandeur wordt namelijk ernstig ontsierd door een, later, aan de voet ervan gecreëerde autoweg, met daaronder, godbetert, een autodealer, jawel. Wat verder opvalt is dat er geen tourist trap te bekennen is, op een eenzame verkoper van oude sovjet-medailles na. Vreemd, als je je bedenkt dat dit Odessa's beroemdste monument is.

Wij lopen verder, langs het havenfront, over, onder andere, een brug waaraan geliefden kennelijk bij speciale gelegenheid (Verloving? Huwelijk? Uit elkaar gaan? Wie zal het zeggen?) een hangslot hangen met hun initialen of namen (de hele brug hangt vol), en besluiten kort daarna dat we naar het strand willen. Dus we houden een burger aan. Een burger? Een burger. Er zijn in Odessa namelijk wel officiële taxi's, maar als je gewoon langs de weg gaat staan en dan afwachtend naar de rijbaan wijst, stopt er een willekeurige auto, en met de bestuurder daarvan spreek je dan een prijs af voor de rit naar waar je heen wilt. Ik zal mij tot in lengte van dagen af blijven vragen of zo'n burger dan toevallig op weg naar oma is en stopt als-ie zo'n stopteken ziet, of de hele dag als beuntaxi ritjes aan het zoeken is. Geen idee.

In ieder geval stopt er nu een burger in een soort van rijdende bom. "Gaat u maar zitten. Niet roken hoor, want dat daar onder uw zitplaats is allemaal benzine!"



Hij brengt ons feilloos naar waar wij wezen willen: een strand met echte lokale mensen. Daar maken Aad en Tom een rondje in de botsautootjes, flaneren wij wat rond, koop ik een foute zonnebril en hakken wij een biertje weg, alvorens wij de terugweg naar het hotel aanvaarden.

Het avondeten gebruiken wij samen met Edwin in het beste van drie restaurants met lokaal eten waarvan de namen voor mij werden opgeschreven door de receptioniste van het Black Sea Hotel, restaurant Kumaneç. Prima eten inderdaad, en op z'n Russisch: kleine porties van van alles, met als hoogtepunt de gevulde knoedels die ook in Tsjechië tot de nationale keuken behoren.

Daarna vertrekken Aad en Tom alvast naar de Ibiza, waar namelijk de rest van het rallypack zich verzameld heeft, nadat die samen op het strand een soort van prijsuitreiking hebben gehad, aan dus de 'Psycho Riders' (zonder beker, horen wij ter latere rëunie, omdat die per ongeluk was gediefd door de 'Great Balls of Fire', die weer dachten dat-ie uit hun hotelkamer was gepakt door de organisatie, maar 'm later terugvonden in 1 van hun eigen tassen).



Ed en ik gaan eerst nog even terug naar het Black Sea, voor een opfrisrondje. Wij arriveren daardoor vrij laat bij de Ibiza, en hebben dus genoeg fut om, erna, naar het hotel terug te wandelen.

Dat doen wij via de strandboulevard, en zo ontdekken wij dat er, buiten de Itaka, nog veel meer kleinere gelegenheden langs die boulevard zitten, en... ...Katya, een beschonken Russische, met wie, en haar twee vriendinnen, allebei voorzien van vriend, wij teruglopen naar de stad (langs wat Katya giechelend het "impotentie-monument" noemt: een grote sovjet-naald met Lenin eronder en een ster bovenop), tot in een supermarkt en aan haar deur, waar wij afscheid nemen. Wij keren, bij het ochtendgloren, met de stadsbus terug naar het hotel, wat een ervaring op zich is. Bussen zoals die zouden dat in Nederland niet mogen heten, want niet door de APK komen zeg. Maar ik geniet met volle teugen: het is een prachtig eind, van een vreemde dag.

Dag 6 29.08.2007: Odessa

De volgende ochtend gebruik ik het ontbijt in het Black Sea Hotel voor de eerste keer. Dat had ik eerder moeten doen! Ik ontdek, zowaar, havermout, heus! Tevreden zet ik mij eraan. Gezondheid, bij alle ongezondheid, heel goed. Daar komt meer van, vandaag, want ik besluit mij, na het ontbijt (dat ik overigens geniet met Ed en Hans Beckers van 'The Mitsu strikes back' - de tafelconversatie betreft vooral de enorme kloof tussen arm en rijk in dit land) maar eens onder handen te nemen in de fitnessstudio die het hotel volgens Edwin rijk is: dat zag hij namelijk in het cyrillisch staan op het bord bij de lift in de kelder (verder wordt nergens over het ding gerept, ook niet in de folders op onze kamer).

Maar het bestaat inderdaad: om de hoek, op de 7de verdieping, naast de geldwisselbalie die in de receptie gevestigd is, zit de fitnessstudio, en ik word er hartelijk welkom geheten door trainer Andrej, die mij geduldig uitlegt dat fitnessen 25 gribi kost, door hem begeleid worden daarbij nog eens 14 gribi, en de sauna 40 gribi. De gribi staat op ongeveer 6,1 per euro, dus ik vind het allemaal prima.

Andrej trekt mij in twee uur totaal uit elkaar, en vraagt dan doodleuk: "Zeg, hoelang is het eigenlijk geleden dat je voor het laatst trainde?" "Een jaar", steun ik. "OH! Nou, dàn is het zo wel voldoende." Ja dat haalt je de koekkoek!

Afijn. Ik train prettig af in de sauna, en strompel daarna terug naar onze hotelkamer. Bij de receptiebalie kom ik 'Great Balls of Fire' nog even tegen, die mij het telefoonnummer van de Landroverdealer doen toekomen (die net hun Landrover heeft gerepareerd), opdat wij die kunnen lastigvallen over het telefoonnummer en/of adres van een Opeldealer, opdat wij ons in Polen teloorgegaan spiegeltje kunnen vervangen, en zo nog wat dingen (de Combo, zagen wij in de hotelgarage, lekt een heel klein beetje diesel, de toeter doet het niet meer en de motorkap gaat niet meer open - best lastig als je schade en vloeistoffen wilt checken).

Maar eerst gaan wij, na intens relaxen mijnerzijds (ik kijk, onder andere, tv, waarbij mij opvalt dat het journaal uitsluitend gaat over president Joesjenko, en zijn grootse daden van vandaag, 5 items lang - ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dat niet komt doordat hij dat dictatoriaal beveelt, maar doordat het televisiemakend personeel nu eenmaal niet gewend is op een andere manier televisie te maken; Joesjenko zal wel gek zijn om ze anders wijs te maken), en wat door de stad zwerven Edzerzijds in de middag, uit avondeten met 'Finenzo' en de 'Insurance Racers', in een uitstekend, zij het wat westers en dus duur restaurant, Steakhouse (níet te vergelijken met het gelijknamige restaurant in Kiev). Het serveert niet alleen prima calamari (kun je altijd de kwaliteit van een keuken aan afmeten), maar ook een prima supersteak (die eet Jan-Willem van de Finenzo's, en hij glundert wat af) en heerlijk lam. EN ze hebben er een ongelooflijk toiletblok, met een groenglazen vloer. Heel vervreemdend en spannend.

Na het eten begeven Scott (van de 'Insurance Racers') en Jan-Willem (van de Finenzo's) zich met Ed en mij naar de Itaka, de nachtclub naast de Ibiza. Die blijkt veel groter, heel anders van opzet (grote griekse zuilen hier, en het geheel oogt alsof je in een pantheon-ruïne zit), publiek (dat is beter hier, want er lopen niet alleen dure Gucci-mafia-wijven, maar ook, en heel veel, 'gewone' mensen rond), en entertainment (want dat is er daadwerkelijk - wij kijken, achtereenvolgens, naar een stripshow van een nepsmeris-met-'gearresteerde'-dame, en een weirde act van een soort van chinese draak met dansers erin).

Wij slaan het allemaal gade vanaf de beste plek in de toko: helemaal rechts bovenin, waar je met je kop in de bries rechts van je uitkijkt over de boulevard (waar eergisteren grootmoeder nog stond te housen) en de Zwarte Zee, en voor je de ganse Itaka aan je voeten ligt.



Jan-Willem en ik genieten, terwijl Ed en Scott de dansvloer bestormen, ons rot: niet in de laatste plaats vanwege de prachtige dames. Wij krijgen gratis waar ik in L'viv nog voor moest betalen: een paaldans-show zonder paal, van tenminste drie pa-rach-ti-ge dames. "Ik wil nooit meer weg!", verzucht Jan-Willem.

Geen gekke gedachte - maar die dames zijn wel enigszins nep. Want dat geile gedans is bedoeld om tot iets te leiden. En dat iets, dat ontvouwt zich al gauw: de geilst dansende dame krijgt oogcontact met ons en wat anderen om ons heen, en onmiddellijk verschijnt naast haar een boom van een zwartgeklede kerel. De boodschap is duidelijk: je mag haar hebben, maar wel voor even, en voor geld, aan hem te betalen.

Twee oudere heren, iets beneden ons op de ring gezeten, gaan daar uiteindelijk op in: ze wapperen met geld en ja hoor, de dame verlaat de club in hun gezelschap, op de voeten gevolgd door de lange-in-het-zwart, die het geld gaat innen en dan tevreden terugkeert naar de dansvloer. De dame is er een half uur later ook weer, en dan begint het verleiden opnieuw (zoals het, trouwens, de dagen ervoor ook in Club Ibiza gebeurde: ook daar liepen 'professionele' meiden geil te dansen in de hoop een betalende klant aan de haak te slaan).

Ed en ik hervinden intussen Katya, de onlangs nog stomdronken Russische met wie wij zopas vanuit Arkadia Beach naar huis liepen. Zij is inmiddels broodnuchter, en blijkt in de Itaka te werken, als serveerster.

Jan-Willem komt intussen een jongedame tegen die hij uit de Ibiza kent, en die komt met haar vriendin bij ons zitten. Ik, onderwijl, geniet van een waterpijp, met champagne onderin, en kersentabak erop. Maar als Jan-Willem mij erop wijst dat-ie, zo op tafel in de wind, wel erg snel leegbrandt, besluit ik 'm inderdaad op de grond uit de wind te zetten - en laat ik 'm uit m'n handen flikkeren, omdat ik niet op tijd doorheb dat het vloeistofreservoir niet aan de rest van de pijp is vastgeschroefd.

Hilariteit alom, en gelukkig loopt het redelijk goed af en kan ik mijn pijp alsnog oproken. Dan nemen Scott en Jan-Willem afscheid: ze vertrekken de volgende morgen, en willen wel even goed slapen voor een lange rijdag. De dames die bij Jan-Willem zaten blijken nu duidelijk uitgeweest te zijn op zijn geld: want nu hij weg is taaien zij af zodra het binnen beleefdheidsgrenzen mogelijk is.



Enigszins verveeld met de geldzucht der dames laat ik mijn blik naar elders dwalen. En dan vallen de schellen van mijn ogen.

Naast mij, bij de boom op de boulevard, ontwaar ik plots drie ninja's. Ik zweer het je. Ik knijp in mijn arm om te zien of het waar is, maar ik zweer het je: het is waar. Drie ninja's. Ik denk: "Wat een rare waterpijp was dat", en ik knijp nog een keer in mijn arm om te zien of het waar is, maar ik zweer het je: het is waar. Drie ninja's. Twee mannetjes, eentje met tieten. Een van de mannetjes heeft zijn gezichtsmasker nog niet omlaag. Hij ziet eruit als een ex-Spetznaz-dude, met een insectoïde tattoo in z'n nek, en hij rookt een saffie, terwijl-ie op gebeten toon praat met de andere twee. Dan draait hij zich zeewaarts, schiet zijn nog brandende saffie met twee vingers in een fraaie boog het strand op, en trekt dan zijn gezichtsmasker omlaag. Resoluut draaien de drie zich om, en ze rennen beneden me langs, richting strand, en verdwijnen in het donker.

Heb ik gezien wat ik net heb gezien? Ik geloof er geen reet van. Ik denk "Die gaan iemand omleggen" en "Als ik dit aan Ed vertel, gelooft-ie me nooit". Gelukkig staat Ed nog ergens op de dansvloer. Ik besluit tot voorzichtige verkenning. Ik loop de hele Itaka door naar de plee, en, daaruit, voorzichtig langs de galerij langs het strand, helemaal vanaf gene zijde der club.

Nergens sporen van moord en doodslag. Geen ijselijk gillen, pistoolschoten, gereutel of anderszins. Alleen het ruisen der zee, het geanimeerd gekeuvel der discogangers, en de opwekkende dreun der muziek.

Totdat ik het hoogst gelegen gedeelte van Itaka, tussen de griekse zuilen betreed en van daaraf omlaag tuur naar het strand. Ninja's! Ik had het niet mis! Het zijn er wel zes!

Een ervan is niet in ninja-garb, maar in klein zwembroekje een pesteind aan het zwemmen de zee op, schuin weg bij de pier, en de rest houdt zich bezig met het vervaarlijk nemen van een even vervaarlijk fitnessparcours, uitgezet met einden hout: ze rennen omstebeurt een schuin geplaatste dunne lat op, balanceren op het eind daarvan, en springen er dan af - om tijdens de sprong met een ferme 'plok' een joekel van een mes in een tegenovergelegen paal, die het slachtoffer voorstelt, te planten.

Verbijsterend. Oefenende ninja's. En ze hebben nog publiek ook. Want niet alleen ik sta ernaar te kijken: ze worden ook gadegeslagen door een koppeltje dat naast mij romantisch zit te tafelen, en door zo'n 10 tot 12 buiten Itaka langs de boulevard samengedromde Odessianen, èn door twee agenten. Dat stelt mij ietwat gerust: kennelijk is het normaal, want de smerissen geven geen krimp, en kijken zelfs ietwat meesmuilend naar de verrichtingen.

Ik haal Ed erbij. Hij is net zo verbijsterd, maar kan niet anders dan me geloven, want hij ziet het ook. Ninja's. Ik zweer het je. Ninja's.

Dat wij weer terugkomen bij het hotel is zeker. Maar ik zou niet meer weten hoe en wanneer. Ik ben te verbijsterd. Ninja's. Ik zweer het je. Ninja's.

Dag 7 30.08.2007: Odessa

Vandaag gaan wij op jacht. Nodig zijn een spiegel en een wasserette. Want ik vind het allemaal prima dat Ed langer wil blijven (ik vind dat het vooral zijn vakantie moet zijn, hij is tenslotte overwerkt), maar ik zie niet wat er rechts van me rijdt en ik moet nu gaan wassen, anders ben ik geen mens.

We rijden de hele dag door Odessa, en we zien van alles. Compleet nieuwe wijken worden, in het zuiden langs de zee, uit de grond gestampt. Grote, vrijstaande, vierkante kasten, met een grote tuin eromheen en daaromheen weer een muur. Voor de privacy en de bewaking, en als die niet genoeg is, dan staan er soms zelfs gewapende mannetjes rond het hek. We vinden, vlak bij een militaire basis, een flink stuk markt, met allemaal kleine semi-permanente en ook permanente winkeltjes en winkels eromheen - duidelijk bedoeld voor zowel omwonenden als, vooral, het personeel van de basis. We kopen er perziken.

Maar we vinden nergens een wasserette. Wel een Opeldealer. Met het telefoonnummer van de Landroverdealer in de hand is het Ed gelukt die te lokaliseren. We vinden 'm probleemloos, maar een spiegel heeft hij niet: levertijd 3 weken. Helaas.

Wat hij wèl heeft, is verstand van Opels. In no time is mijn motorkap open en zo gerepareerd dat-ie voortaan weer open en dicht kan, constateren wij dat het prima gaat met de vloeistofpeilen en doet de toeter het weer. De monteur wil er niets voor hebben.

Dat gaat natuurlijk fijn niet door. Bij een winkeltje om de hoek kopen wij een tas-vol-bier, en die leveren wij bij de glunderende monteur af.

Bij wegrijden constateer ik tevreden dat mijn buitentemperatuurmeter het plots ook weer doet. Die heeft het sinds aankoop door mij, van deze wagen, niet gedaan! Minder prettig is dat vanaf dit moment mijn kilometerteller niet meer functioneert, of althans, niet goed: die slaat nog wel uit, maar naar onbetrouwbare waarden, en bij hoge snelheden zelfs vaak naar 0.

Wij zullen ontdekken dat je dan je TomTom kunt gebruiken, die een vrij accurate benadering van je snelheid geeft op grond van je GPS-verplaatsing. Maar dat zullen we pas veel later ontdekken omdat we de TomTom pas weer uit de tas pakken bij verlaten van Roemenië, en daar zijn we nog lang niet.

Ik trek dat niet vinden van die wasserette voor geen meter (een voettocht door de wijken rond het hotel levert er ook geen op; we vinden wel een babuschka die bereid zou zijn de was voor ons te doen als ze een machine had, die ze niet heeft, maar daar hebben we dus weinig aan).

Teruggekeerd bij het hotel ga ik daarom op jacht naar wasmiddel. Dat valt niet mee, want wordt nergens verkocht, ook niet bij de alomtegenwoordige drogisten (ik dacht eerst dat het apotheken waren omdat er 'Apoteka' opstaat in het cyrillisch, en dat dus de Ukraïners collectief aan een enorme drugsverslaving lijden, maar het woord blijkt dus 'drogist' te betekenen en die verkopen alles wat daar normaal verkocht wordt, behalve dus wasmiddel).

Totdat ik er een vind in het notabene rijkste winkelstukje van de stad: dat pal naast ons hotel, waar naast de juwelierszaak een drogist zit die wèl wasmiddel verkoopt. Voor de hyperrijken: de kleinste verpakking die ik kan vinden is een halveliterfles Persil, en die kost me €8,-. Belachelijk.

Tevreden, toch, doe ik de was in de badkuip, en hang ik de badkamer en kasten vol met drogende.



Daarna gaan Ed en ik weer rondtoeren. Ik besluit hem het strand te laten zien waar ik eerder met Aad en Tom rondzwierf, dus wij rijden daarheen, door de noordelijke buitenwijken. Als ik wil inparkeren bij het strand slaat het noodlot toe. Boven de weg staat een bord dat ik over 100 meter een U-bocht mag maken, en dat wil ik, want aan gene zijde van de weg zijn vrije parkeerhavens.

Dus ik kijk in mijn linkerspiegel (die er nog wèl is), en dan weer vooruit terwijl ik links aangeef en afsla, over de tegenoverliggende baan.

Gierende banden en boosbang getoeter: een met hoge snelheid slippende BMW, die er zojuist, in mijn linkerspiegel, nog lang niet was en dus minstens 120 moet hebben gereden op deze lange, rechte weg, maakt hetzelfde ongeluk mee dat wij in Polen beleefden, rukt zijn stuur naar links maar schampt ons in het voorbijgaan.

150 meter verderop komt hij tot stilstand langs de berm. Hij heeft inderdaad pleurishard gereden. Dus eigenlijk is dit ongeluk gewoon zijn schuld, zoals dat in het Poolse de onze was. Maar hij is slim. Hij stapt namelijk boos uit, loopt op ons af en dreigt er de politie bij te halen als wij niet betalen.

We kopen 'm af met 100 gribi, want dan zijn we tenminste van het gedoe af. We hebben, per slot van rekening, slechts lichte blikschade linksvoor. Daarna kijken we alsnog rond op het strand, voordat we weer terugkeren naar het hotel.

's Avonds banjeren we weer door de stad. In het voetgangersgebied waar restaurant 'Steakhouse' zit en wij dus eerder met de 'Insurance Racers' en de Finenzo's aten, zie ik in een kunstwinkel voor de eerste en enige keer deze reis een mitrailleur van dichtbij. Die hangt namelijk om de nek van een, als politie-agent uitgedoste, particuliere bewaker. Wat er in de winkel hangt is beslist het bewaken waard, inderdaad. Ik geloof voor geen meter dat de van Goghs echt zijn, maar er hangt, onder andere, een oudhollandsche meester (geen idee van wie) met een gezicht op de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Nou vraag ik je. Ergens tijdens deze zwerftocht kopen wij bij een kiosk wat snacks (worst-in-bladerdeeg enzo) die ons avondeten vormen, voor nagenoeg geen gribi. Tevreden eten wij wandelend. Da's toch een stuk goedkoper opgelost dan tijdens de dure dagen met het rallypack.

Dag 8 31.08.2007: Odessa

De volgende ochtend doen wij weer duur: want ik hap toch weer havermout, in het hotel. Daarna zwerven we weer wandelend door de stad. Die wandeling voert ons, onder andere, langs de schouwburg, waar onder de grote koepel kennelijk een roofvogelnest huist - de krijsen ervan galmen al dagenlang over de stad, versterkt door de architectonisch verantwoorde bogen. Bij die schouwburg ontdekken wij een bruiloftsfabriek, waar tenminste drie huwelijken in vijf minuten naar buiten en in lange witte limousines rollen. Prach-ti-ge dames, niet alleen vanwege hun uitdossing, en de mooiste zijn niet eens de bruid! Vermakelijk, verder, dat als een kind een ballon stukmaakt zo'n zes verontruste, gegroefde mannengelaten zich met scherpe blik rondkijkend omdraaien: gewapend conflict is, zo dicht bij de Kaukasus, toch nooit helemaal ver weg.

Aan de overkant van de weg waaraan het hotel ligt vinden wij, wat later, op zoek naar koffie (ik dan, Ed drinkt geen koffie), een zomaar op straat staande Nescafé-automaat! Heel prettig. Maar wel heel pesterig dat ik wegens cyrillisch niet kan uitvogelen hoe ik er koffie zonder suiker uitkrijg. Bah. Snel wegvreten, die weeïge rotsmaak, met appel- en garnalenbladerdeegsnacks.

In een park verderop koop ik voor mijn hoogzwangere zus een prachtige handbeschilderde matruschka (zo'n pop met een kleinere pop erin met een kleinere pop erin enzovoort; deze is duur, maar wel veel mooier dan de machinaal beschilderde exemplaren bij de andere standjes).



In de avondschemering speelt Ed verder twee potjes schaak met wat oudere heren, die hier onder een speciaal ervoor gebouwd afdak dat dagelijks doen en dus volledig gehakt van hem maken.

Ik word uitgenodigd voor een potje dammen, maar ik waag me er mooi niet aan - ik houd mij liever bij het fotograferen van Ed, en het luisteren naar en praten met de mannetjes.

's Avonds eten wij redelijk goedkope pizza in een Italiaans restaurant (met leuke serveerster, al mist ze wat vingers aan 1 hand, en rare digicamphoti, pixelig uitvergroot, van Venetië-in-de-regen aan de muur) in een vage buitenwijk, terwijl in de verte groot vuurwerk knalt: het is feestdag, want Odessa bestaat 700 jaar. Wij slaan het op afstand gaande, voordat we terugkeren naar het hotel.

Dag 9 01.09.2007: Odessa

Vandaag ontbijten wij op straat, met bladerdeegsnacks en de buitenkoffie-uit-de-automaat (bah, suiker - maar goed dat ik mij eerst een espresso heb verworven in de hotelbar).

Daarna besluiten wij voor vertrek nog even boodschappen te doen, op de markt. Da's makkelijk, want die ligt pal achter het hotel. Wij vallen er van de ene verbazing in de andere. In het gedeelte met kleding en accessoires valt ons de grote eenvormigheid op: stalletje na stalletje met dezelfde schoenen, jeans, shirts en riemen. Maar Ed vindt er wel nog een vrij uniek, en geinig petje, voor vriendin Saloua.



In het gedeelte met dooie vis valt ons de enorme verscheidenheid op. Er liggen veel meer soorten dan ik ooit in Nederland zag, maar geen haai. Mijn soort van zee, die Zwarte. Wat verder opvalt is de enorme hoeveelheid zilvervis. Maak je ook weinig mee, in de Rijndelta: ik ken die vissies vooral van een tekening, ooit, in een prachtig geïllustreerd boek met Franstalige verstekstjes ('Sur le pont d'Avignon' enzo).

Wij kopen verder worsten (lekka) en chocola (prachtige stand met grote dozen, waaronder 1 met foto's van Odessa erop). Bij de vleesafdeling verbazen wij ons over de dames die daar met slechts 1 dode vogel zitten te wachten totdat ze die verkocht hebben, zodat ze weer naar huis kunnen: dat is hier doodnormaal. Bij de groenten en fruit zitten ook dat soort mensen, met soms een stuk of 10 aardappelen, of een stapel beschimmelde mandarijnen, als enige verkoopbare waar. Tot besluit van deze shopping spree laat ik in een wijnwinkel achter het hotel een grote anderhalve liter frisdrankfles afvullen met Odessiaanse rode wijn. Geinig! Hij blijkt die dag, bij proefslok, niet te zuipen, maar als ik 'm later thuis weer opentrek is-ie inmiddels veel beter gaan smaken. Rijpwijn. Weer wat geleerd.

Wij bergen de boodschappen weg in de wagen, en stappen dan weer in de lift omhoog, om de bagage van de kamer te gaan halen. Maar dan lopen wij, in die lift, Emily tegen het lijf. Zij is een Chinese, met de Canadese nationaliteit. En zij is in dit hotel als begeleidster van een steenrijke Canadese Chinees, die zich zwaar laat tillen door Ukraïense 'bruiden', die hem gepresenteerd worden door een agentschap, en aan wie hij reeds meerdere duizenden dollars heeft gespendeerd, maar van wie hij daar nog geen kus voor teruggekregen heeft.

Intussen zit Emily dan alleen op haar hotelkamer, en heeft ze nog geen moer van Ukraïne gezien.



Wij vinden dat zo zielig voor Emily, dat wij besluiten nog een dagje te blijven, en haar wat te gaan vermaken. Dus wij boeken een nachtje bij, en trekken met haar naar hetzelfde strand waar wij eerder ons tweede ongeluk beleefden, en ik eerder met Aad en Tom rondzwierf.

Slim, om weer terug te keren naar die plek: dan is-ie tenminste ontvloekt, inzake auto-ongelukken. Dat lukt, want dit keer hebben we er geen en steken we wèl zonder incidenten de weg over. Aan de overkant ervan treffen wij een Nederlands echtpaar, met de camper op vakantie. Ze komen net uit de Krim, en ze vinden Ukraïne maar niks. Wij zijn het niet helemaal met ze eens, maar wensen ze een zeer prettige vakantie.



Terwijl Emily dineert met de rijke Chinees, vinden wij ein-de-lijk een echt goedkoop restaurant waar de autochtonen eten: het is afgeladen met jongeren, en het eten is er fan-tas-tisch. Wij laten ons door de serveerster verrassen met het beste dat zij heeft, en zo genieten wij onder andere van calamari, een heleboel ons volstrekt onbekende vissoorten op een verzamelschaal, grote garnalen en, vooral, ge-wel-di-ge mosselen.

Zo groot heb ik ze nog nooit gezien, en zo lekker heb ik ze nog nimmer gegeten, zèlfs niet in Antwerpen en Yerseke. Eindelijk maakt Odessa zijn reputatie als havenstad aan de Zwarte Zee meer dan waar. Ik giet het voedsel opgewekt weg met een grote stroom Staropramen (prima bier uit Tsjechië; Ed is erg verbaasd dat ik die naam weet te halen uit een enorme stroom Russische biermerknamen die de serveerster als mogelijke keuzes voor mij opdreunt als ik zeg dat ik een literglas bier wil, maar ik ben vaker in Tsjechië geweest dan tijdens deze rally, dus dan krijg je dat).



Daarna duikt Ed met Emily de Itaka in, maar ik ben op, dus begeef mij naar onze nieuwe kamer, waar ik tv-kijk (naar een kanaal dat uitsluitend ingame sequences van nieuwe computergames uitzendt; grappig!) en met Aad bel (die inmiddels veilig thuis is gearriveerd en ons vertelt dat er druk heen- en weer ge-e-maild wordt door de binnendruppelende teams thuis); ik licht hem in over onze wederwaardigheden, zodat hij de rest van het rallypack smakelijk kond kan doen dat 'Team Taxi Adriaan weer een ongelukje' heeft gehad.

Hij belooft ons, daarnaast, geweldige snelwegen in Hongarije. "Het is duidelijk waar die hun EU-geld ingestoken hebben", aldus Aad. Hij vertelt verder hilarische verhalen over hun terugtocht door de binnenlanden van Ukraïne, die ik hier niet zal optekenen, omdat Aad zijn eigen verslag schrijft. Mij bekruipt alras de impressie dat de terugrit voor meerdere teams enerverender gaat uitpakken dan de rally zelf. Zo leren wij dat Team 'Last Man Standing' zijn Volvo uiteindelijk maar langs de weg heeft achtergelaten voor de struikrovers, omdat-ie het niet meer deed, en 'Great Balls of Fire' de Landrover op een strand uit het zand heeft moeten graven. Ik vraag mij ernstig af wat ons zelf nog te wachten staat... ...maar tevreden om meer avontuur in het verschiet, val ik uiteindelijk in slaap.

Dag 10 02.09.2007: Odessa-Tiraspol-Chisinau

De volgende ochtend rijden wij ten langen leste Odessa uit. Terwijl wij met brood en worst in de auto ontbijten, stuur ik die tevreden de zonovergoten weg naar Tiraspol op. Tiraspol? Tiraspol. Tiraspol is de hoofdstad van Transnistrië, voluit Pridnestrovskaya Moldavskaya Respublika, een zelfstandige staat die zich in 1992 met geweld van Moldavië afscheidde. Het gebied ligt, vanuit Moldavië gezien, aan gene zijde van de Dniestr, vandaar de naam.



De PMR heeft een eigen president, eigen geld, eigen postzegels en een eigen leger, maar niemand erkent het land, behalve het Rusland van Poetin. Als je met een Transnistrisch paspoort geboren wordt, zit je goed vast: want je kunt er niet uitreizen omdat niemand het erkent, en je kunt zelfs niet naar Rusland, omdat dat er niet aan grenst.



Rusland erkent het omdat het grote baat heeft bij een land waarvan het kan ontkennen iets te maken te hebben met wat er gebeurt. Maar dat het dat heeft is zeker, want de meerderheid van de lui die er rondlopen heeft een Russisch paspoort.

Dat vertelde mij Peter Bruyn, bevriend journalist uit het Haarlemse, die er twee keer heenreisde, waarvan 1x voor de Rails, het NS-tijdschrift. Hij vertelde ook dat Transnistrië drie industrieën heeft: de metaalnijverheid, de textielnijverheid en de voedingsmiddelenindustrie. Dan hebben we het dus over wapens, imitatie-merkkleding en sigaretten.

Peter kwam in een disco ter plaatse wapeninkopers van Al Qaeda tegen, en een Ghanese voetbalprof. Want de mafia is in Tiraspol zo rijk dat ze wel een profvoetbalclub bij elkaar gekocht heeft, en een peperduur voetbalstadion heeft laten neerzetten, waar nota bene Oranje nog een wedstrijd tegen Moldavië heeft afgewikkeld, omdat het stadion in Chisinău, de hoofdstad van Moldavië, veel slechter was. En die Ghanees die wilde dus zo snel mogelijk naar Nederland, waar z'n broer bij FC Twente speelt, meen ik mij uit Peter's verhaal te herinneren.

Nou daar MOET ik dus heen, zo'n land. Ed verklaart me voor gek, maar hij gaat wel mee. En dus rijden wij richting Tiraspol. De weg ziet eruit alsof-ie gemaakt is voor Need for Speed, mijn favoriete race-game: tweebaans, breed, met lage struiken links en rechts, en fel tegenlicht van de zon. Ik geniet me gek, temeer daar er vrijwel geen ander verkeer is. Wie wil er nou naar Transnistrië?

Bij de grens aangekomen blijken inderdaad niet veel mensen dat te willen. De rijen zijn niet lang, dus dat verheugt ons. Zo komen wij snel aan de beurt.

Maar wij zijn ongelooflijk aan de beurt. We worden opgewacht door een grote, gespierde douanier. Hij lijkt, vooral, op Duke Nukem. "I'll rip off your head and shit down your neck", die Duke Nukem. Hij hoeft het er niet bij te zeggen, ik geloof 'm zo ook wel. Hij spreekt vloeiend Duits, omdat, legt hij uit, hij een tijdje in Duitsland gewerkt heeft.

Dat we 'm kunnen verstaan blijkt niet in ons voordeel uit te pakken: hij maakt het ons heel moeilijk. Hij vindt namelijk dat we, inzake de zichtbare schade aan onze auto, een politie-verklaring bij ons horen te hebben die aantoont dat die schade niet is opgelopen in Ukraïne, en hij legt uit dat we zonder zo'n verklaring het land niet uitkomen richting Kisinev (het Russisch voor Chisinău).

Wij leggen uit dat we de schade in Polen hebben opgelopen, en dat ons bij binnenrijden van Ukraïne niets over zo'n politieverklaring gemeld is. Het vermurwt hem niet. Hij geeft ons twee keuzes: terugrijden naar de dichtsbijzijnde plaats en daar van de politie zo'n verklaring kopen ("en dan moet ik die agenten ook nog omkopen", denk ik), of het land verlaten via de grensovergang waarlangs we ook binnenkwamen ("dat is 700 km terug of zo, via Kiev en L'viv naar de Poolse grens! Hij is niet wijs!" denk ik).

Dat is natuurlijk allemaal gelul want we begrijpen allemaal waar het om gaat: hij wil gewoon geld. Maar nu is Edwin onvermurwbaar: dat komt er niet. Hij legt omstandig uit dat we voor het goede doel naar Ukraïne zijn gereden, dat ons geld daarvoor nodig is, en dan met name voor een ziekenhuis in het Roemeense Braşov, waar we ook nog heenmoeten. Gelogen, natuurlijk, maar als hij kan liegen kunnen wij dat ook.

Ed is zo vasthoudend dat-ie uiteindelijk maar opgeeft en ons zonder betalen laat gaan, onder een dreigend "Ik ga nu rapport opmaken!".

Pffoei. Daar zijn we mooi vanafgekomen. Maar we zijn er nog niet. Tien meter verder staat de volgende beambte: die die onze auto uit elkaar gaat trekken. In de brandende zon stallen wij de volledige inhoud van de auto op daarvoor bedoelde bankjes uit, en vullen wij een onbegrijpelijk, in het cyrillisch gesteld formulier in.

Dat moet je nog secuur doen ook. Want als je 'ik heb geen mobiele telefoon bij me' invult, en die wel op je wordt aangetroffen, ben je de haas. Je moet ook invullen hoeveel van welke valuta je meedraagt, en uiteindelijk moet Edwin mee naar binnen om te laten zien dat dat klopt, qua zijn portemonnee. Dat is natuurlijk niet meer dan de inleiding tot waar het werkelijk om gaat: hij koopt de man uiteindelijk af, met 5 dollar. Die heeft-ie namelijk toevallig ook nog op zak.

We pakken alles weer in, maar dan zijn we er nog niet. Want dit was de Ukraïense kant van de grens. Nu de Transnistrische. Die begint met alweer een zeer vervaarlijk uitziende douanier, deze zo weggelopen uit 'De scepter van Ottokar': in een groen uniform, met een grote platte pet en een buitenmodel snor.

Zijn engheid blijkt echter vooral uiterlijk: hij wuift ons minzaam verder. Maar hij stuurt ons wel naar links, waar de bedoeling blijkt te zijn dat wij inparkeren bij een apart douanierskantoortje. Dan kunnen ze ons namelijk beter tillen.

In de rij rechts naast ons kijken de autochtonen die wachten op hun eigen grensovergang ons zowel meewarig als jaloers aan. Ik begrijp al snel waarom.

Wij worden geacht hier twee visa te kopen. Eén voor Moldavië, dat een dag of 90 geldig gaat zijn, en 1 voor Transnistrië, dat maar drie uur geldig is. Nou is Transnistrië 300 km lang, maar maar 30 km breed, dus op zich is dat te doen. Alleen weten wij dat die visa sinds 1 januari van dit jaar officieel afgeschaft zijn. We worden dus getild.

Daar doen we maar niet moeilijk over, omdat het anders allemaal nog veel langer gaat duren: we komen weg met het betalen van 20 euro.

En zo zijn we uiteindelijk drie uur verder voordat we Transnistrië daadwerkelijk binnenrijden. Valt best mee.

We besluiten erg voorzichtig te rijden, want zo'n mafiastaat, daar zijn vast veel struikrovers. We zien inderdaad 1 team-met-föhn klaarstaan langs de weg, maar we rijden er bedaard voorbij en knikken ze vriendelijk toe. "Kut", zie je ze denken.

En dan is daar, aan het eind van een lange rechte weg, eindelijk het immense bord 'Tiraspol'. Of nou ja, bord? Het is meer een beeldhouwwerk: het staat er in monumentaal grote letters.



Tiraspol zelf begint met de archetypische sovjet-flatblokken, al zien ze er hier niet bijster armoedig uit. Maar het zijn er ook niet veel. En de rest van het Tiraspol dat wij binnenrijden lijkt vooral op een zuid-Amerikaanse favela, maar dan met goede kwaliteit huizen: gelijkvloers, met een tuin eromheen. We parkeren voor een prachtige uienkerk in, en lopen de stad in.

We treffen het, blijkt. Men is massaal de 'dag van de zelfstandigheid' aan het vieren: een nationaal feest. Dat ziet er dan zo ongeveer uit als een dorpsbraderie, want veel groter is Tiraspol niet: men houdt een grootscheepse diploma-uitreiking van een school voor zang en dans, men braadt worsten en schenkt bier, en men houdt, langs de hoofdstraat, overal kleine hoefijzervormige feestjes in de zijstraten. Wij pinnen wat geld (men doet hier aan roebels, maar niet de Russische: men heeft er eigen) en lopen de straat op en neer, om de sfeer op te snuiven. Tiraspol is een stad van lage gebouwen. Alsof je door een Amerikaanse buitenwijk loopt. Brede straten, lage panden. Dat ben ik niet gewend. Maar Ed legt me uit dat dit nou juist een typische Sovjet-stad is. Er staan trouwens ook nog wel een paar grote gebouwen. Ik zie in de verte het gebouw dat op de kalender staat die Peter mij opstuurde, en wij fotograferen onszelf voor het raadhuis.



En hoewel we er maar kort zijn, krijgen we toch nog wel wat mee van de bijzondere status van dit land: bij een van de hoefijzervormige feestjes heeft men van die tentoonstellingsborden op straat geplaatst zoals wij die kennen uit bibliotheken en musea: groot en rechthoekig, met foto's en tekst. Ze beschrijven de onafhankelijkheidsstrijd, en wij zien, erop, mannetjes met kalashnikovs door loopgraven rennen. 1992? Brrr. Dat komt dichtbij.

En het komt nog dichterbij. Want terwijl wij weer teruglopen, nadat we op het keerpunt bij een winkel wat te eten en drinken hebben gekocht (ik eet voor het eerst sinds mijn vroege jeugd een roomhoorn, maar de ijsthee is belangrijker, want het is bloedheet, vandaag in Tiraspol), zien wij dat een van de hoefijzervormige feestjes aan deze kant van de weg hermetisch is afgesloten voor het publiek. Het wordt bevolkt door dure mannen in pak, en bewaakt door types die te groot zijn voor hun zwarte tweedelig, met oortjes in en crewcut-kapsels van het Spetznaz-type. Denkelijk staat hier de wapenhandel met de president te feesten. Wij doen net alsof we niks zien, maar ik word onderzoekend bekeken door de oortjes, die vooral bevreemd naar mijn eigen oortje staren (dat is mijn Jabra BT250v bluetooth headset voor mijn telefoon - weten zij veel). Ed koopt verderop wat gebarbecued vlees, waar ik nog een beetje van mee-eet (niet veel, want dat past niet naast de roomhoorn), en dan lopen we terug naar de auto.

We rijden Tiraspol uit en Edwin denkt slim te zijn door ons, over een werkelijk heel slechte weg met grote gaten, naar een hele kleine grensovergang te sturen. Daar zijn we inderdaad 1 van maar 2 auto's, maar die andere is een Moldavische en mag door: wij worden door de twee geuniformeerde douaniers teruggestuurd, omdat wij als buitenlanders gebruik dienen te maken van de grotere grensovergang.



Dat zal wel te maken hebben met het anders mislopen van de rechtmatige omkoopbedragen door zijn collegae aldaar. Vooruit dan maar.

Bij die grotere grenspost tussen Transnistrië en Moldavië aangekomen vrezen wij het ergste, qua tijdverlies. Want die ziet er indrukwekkend uit. Dat hebben ze duidelijk expres gedaan, uit kinnesinne richting de Moldaviërs: er staat heel groot PMR op en er hangt een joekel van een vlag. Een vlag? Een vlag. De PMR heeft naast eigen postzegels ook een eigen vlag: rood met een helgroene baan erover.

De douanier die onze paspoorten bekijkt (ik begrijp inmiddels dat dat de constructie is bij alle grenzen in dit gebied: je krijgt er eerst 1 die je papieren checkt, en dan 1 die je auto onderzoekt - dat was zelfs bij Przemyśl zo, maar daar viel het niet op omdat ze, denkelijk door de consulaire bemoeienis, tegelijk kwamen) staat duidelijk iets te verzinnen dat als aanleiding kan dienen om ons geld uit de zak te kloppen, als wij vragen: "Mogen we die vlag kopen?". Hij kijkt ons verbijsterd aan. "Maar dat is mijn nationale symbool!" "Daarom juist!"

Nu zie ik drie dingen in zijn ogen. Dat wij niet meer stuk kunnen. Dollartekens. En het besef dat hij die vlag niet mag verkopen. Maar hij probeert het toch. Hij loopt het hokje uit, naar de overkant van de weg, en de trap op naar het kantoor, en zijn baas. Die krijgt een totale toeval en een enorme lachbui, maar foetert hem vervolgens in het Transnistrisch uit. Of-ie wel helemaal lekker is, denkelijk.



Hij keert teleurgesteld terug. We mogen de vlag niet kopen, maar wel doorrijden zonder hem te betalen. Dat vinden we zielig, voor hem: we geven hem een pakje overgebleven Ukraïense gribi's en rijden tien meter verder, naar de wagen-uit-elkaar-trekker.

En die palmen we ook in. Er wordt niks uitgepakt, want wij pakken uit met een printje van de Wikipedia-informatie over Tiraspol (ik heb voorafgaand aan de reis van alle steden waar wij dachten te zullen gaan langskomen die informatie uitgeprint als leesvoer voor in de auto). De man vindt het schitterend en is er zeer mee in zijn nopjes: we mogen doorrijden. Hij vraagt wel eerst nog even wat wij eigenlijk betaald hebben voor de twee visa, aan de andere kant van Transnistrië. Wij zijn zo stom het 'm nog te vertellen ook. Nu gaat hij dus voortaan ook €20,- vragen, ervoor. Hun manier om het prijsbeleid af te stemmen, kennelijk.

Aan de Moldovaarse kant van de grens worden we weer aangehouden, ditmaal door een gezellige dikke en besnorde douanier, die niets vraagt, maar ons direct mee naar binnen commandeert, waar hij omstandig een bestempeld en door hem getekend groen papiertje voor ons fabriceert en dat aan ons presenteert met een triomfantelijke glimlach. Wij moeten kennelijk zeer blij verheugd zijn dat we het krijgen. Zeven dollar kost het.

Hoe zegt u? Dollar. Maar goed dat Ed er een paar bij zich heeft. Ik denk dat het om een wegenvignet gaat, maar kom er veel later achter dat het om een milieutechnische certificering van ons vehikel (dat hij geen blik waardig heeft gekeurd) gaat.

Dan komt de wagen-uit-elkaar-trekkerij. Drie lelijk besnorde types in uniform doemen voor ons op. OJ. Die gaan het ons vast heel erg moeilijk maken. Maar daar verschijnt voor hun plotseling een vrouw, in hetzelfde douane-uniform, die ons aanhoudt! Het is een overrompelende naturel schoonheid, en zij vraagt ons wat dat voor rare auto is, waar we inzitten, zo met die stickers enzo.

Ik stap enthousiast uit, laat haar een blik erin werpen, en troon haar mee naar de voorplecht, waar ik trots de sticker uitduid en haar het hele verhaal van de rally vertel. Op driekwart geeft ze het op. Ze heft haar handen, stopt me af, en zegt dan, enigszins verontschuldigend, met de meest ontwapenende glimlach die ik deze reis zal zien, "Welcome to Moldova". Ik ben op slag verliefd. Op haar en op dit land. Gratis gastvrijheid! Je komt het weinig tegen, in deze contreien. Ze gaat weer aan de kant van de weg op een trapje zitten, met afhangende schouders, duidelijk ongelukkig met haar saaie bestaan als doanière. Wat zouden we haar graag hebben meegenomen.

De drie snorren kijken zeer jaloers in onze richting als wij doorrijden, een zonovergoten Moldova in (een half uur heeft het geduurd, bij deze grensovergang: 3,5 uur om Moldavië in te komen vanuit Ukraïne in totaal dus - ik denk dat we een record gevestigd hebben!).



Over B-wegen rijden wij naar Chisinău dus. Die blijken mee te vallen, dus dat lukt allemaal prima. Nog bij daglicht rijden wij de hoofdstad binnen, waar wij op zoek gaan naar een betaalbaar hotel en een geldwisselhok. De lokale munteenheid is hier namelijk weer een andere: de Moldovaarse lei.

Wij vinden een hele hoop van die hokjes, maar ze zijn allemaal dicht. Dan worden wij, op een kruising die ervan vergeven is (vreemd - deze stad ziet er niet bedreigend uit, of alsof ze middenin een revolutie of grote demonstraties zit; maar misschien kòmt dat juist wel doordat er zoveel zijn) aangehouden door politie-agenten.

Die controleren ons paspoort, en beginnen dan een uiterst vriendelijk gesprek over waar we vandaan komen, wat we hier doen, en waarmee ze ons kunnen helpen. We hebben de impressie dat ze dolblij zijn eindelijk eens iemand te spreken - ze vervelen zich gewoon. Wij leren dat 1 van hun in Parijs gestudeerd heeft, en die spreekt dan ook vloeiend Frans. Verbijsterend. Ze lopen, gedrieën, zelfs bereidwillig en keuvelend met ons op naar een open geldwisselkantoor dat ze ons wijzen, in een supermarkt.

Wij besluiten wel nog even verder te kijken om koersen te vergelijken, en komen uiteindelijk goedkoper uit bij een geldautomaat, verderop.



Dan gebruiken wij het avondeten in een uit-ste-kend en goedkoop caférestaurant, zo'n beetje het enige dat we dichtbij nog open vinden: 'Mon Café', heet het.

Op weg terug naar de auto zie ik plots wat ik ook in Ukraïne al eerder zag: ik zie een Nederlandse bestelbus rijden, met een Moldavisch nummerbord. 'Dijkstra Schilderwerken, Oosterwolde', staat er op deze. Ik pen dat, en het kenteken, op en zal bij thuiskomst het bedrijf Googlen en schrijven, dat hun auto in Moldavië rondrijdt. Zij zullen mij alsdan melden dat-ie niet gejat, maar doorverkocht is, en er hogelijk geamuseerd om zijn, maar. Je weet maar nooit, denk ik, als ik het briefje wegstop.

Daarna kwartieren wij in, in Hotel Chisinău. Dat blijkt een dubieuze keus.

Want hoewel het er, aan de buitenkant, uitziet als een pittoresker, en waarschijnlijk daarom beter hotel dan de stalinistische flatkolossen die we verderop zien, blijkt het van binnen juist het summum van een stalinistisch hotel te zijn. Vriendelijk personeel en brede marmeren trappen in de hal, maar daar houdt de vergelijking met een groot landhuis op. Boven, op de verdieping die door een dame op leeftijd achter een fineerhouten balie bewaakt wordt, kraakt het groene, verweerde (maar keurig schoongezogen) tapijt in een lange, muf ruikende gang met verweerd pleisterwerk en gelig licht gevende plafonnières waarvan het er slechts drie doen.

In de kamer staat een grote niet werkende koelkast en is wel een badkuip/douche-combinatie, maar geen warm water. Achter het toilet zijn door een gat in de muur de pijpen te zien die over de hele hoogte van het hotel door het pand lopen. Je kunt er morseseinen op geven naar je onderburen enzo. De bedden stammen uit de Eerste Wereldoorlog en zijn van dito dekens voorzien. Van verder comfort is geen sprake.

Wat kan het ons schelen. We zijn moe. We gaan slapen, maar niet dan nadat ik de bewakers, beneden, betaald heb om de wacht te houden bij mijn voor het hotel moederziel alleen op een enorme parkeerplaats geplaatste bolide.

Dag 11 03.09.2007: Chisinau-Constanza

De volgende ochtend hebben wij, na het ontbijt (in een enorme, duistere feestzaal onder- en achterin het gebouw, waarin wij de enige ontbijters zijn en bediend worden door een uiterst vriendelijke dame die er waarschijnlijk ook al werkte onder het communistisch bewind), en een korte wandeling door het hotel (waarbij wij op een vloer boven de eetzaal allerlei reisbureautjes aantreffen, die van het hotel kantoorruimte huren en drukke aanloop kennen - ze organiseren reizen naar, voornamelijk, landen in de regio, als Roemenië, Ukraïne, Slowakije en Turkije), een prettig gesprek met Peter, een Nederlander die gisterenavond blijkt te zijn aangekomen na hier in 1 streep vanaf Nederland heen te zijn gekard. Hij is op weg naar Ukraïne - gewoon, voor de lol, vakantie. Hij blijkt een veteraan te zijn in deze gebieden en kan het daarom al snel prima vinden met Ed. Ik, intussen, koop van de prach-ti-ge dame achter de hotelbar een fles Chisinău-bier, voor thuis.



Daarna lopen we de stad in om geld te wisselen voor het betalen van het hotel, en souvenirs te kopen, en doen dat uiteindelijk vooral in een ondergrondse passage met winkeltjes, waar ik vervolgens mijn autopapieren, inclusief rijbewijs, laat liggen. Gelukkig zijn ze er nog als ik buiten adem terug kom rennen. Ik kan de verkoper wel zoenen. Tevreden loop ik, mèt mijn papieren, en een kleurboekje met 'Amerikaanse' dieren voor mijn nichtje Emma, terug naar de Combo.

Wij rijden Chisinău uit. Mijn verliefdheid van gister inzake Moldova blijkt wederom niet misplaatst: ik vind het een prach-tig land. Veel groener dan Ukraïne, en de snelweg waarover wij rijden, is de weg van Odessa naar Tiraspol in het kwadraat: prachtig, vers aangelegd, kuilloos en breed, met lage struiken aan beide zijden en dus goed uitzicht op het golvende landschap, dat hier Ardennen-plus is: nog wel heuvels in plaats van bergen, maar wel flink hoger en algeheel groter dan in pak 'm beet Diekirch.

Jammer dat Moldavië verder het armste land van Europa is. Dat komt denkelijk doordat ze niet aantrekkelijk zijn voor toeristen: ze liggen te ver weg van alles, en ze hebben geen skigebieden en geen stranden. Toch zouden ze er best wat van kunnen maken, want ze hebben wel prachtige meren, waarop het goed zeilen en vissen moet kunnen zijn. Nou nog geld om de bootjes te betalen, een paar hotels en een goed vliegveld, en je bent er. Ik ruik kansen. Had ik maar investeringsgeld!

Die prachtige snelweg bergt ook gevaren in zich, in een land dat aan prachtige snelwegen kennelijk niet gewend is: wij zien, rechts langs de weg, een meter of vijf lager, onderaan het talud, een autowrak op z'n kant liggen, dat zich kennelijk met een snelheid van ver boven de 100 kilometer per uur, na een vlucht van 12 meter over het talud, in een boom geboord heeft. Zal wel wegens overstekend wild zijn geweest of zo. En waar dat wild er wellicht levend afkwam, kan dat voor de automobilist niet hebben gegolden. Zo'n crash overleef je in geen geval.

Verder houdt die prachtige snelweg, wat verderop, plots gewoon op. Visioenen van mijn eerste tocht-naar-Tsjechië, toen de snelweg naar Praag dat ook deed. Nu staat er, aan het eind, waar de wegwerkers zijn, een vreselijk boze smeris, die zich kapot ergert aan al die mongolen die, 20 kilometer terug, het bord 'weg niet af' hebben genegeerd, en al helemaal een rolling krijgt als-ie waarneemt dat twee debiele toeristen in een rallywagen dat ook gedaan hebben. Oprotten! Het is een duidelijke boodschap die wij maar snel opvolgen, want deze meneer ziet er niet uit alsof hij tevreden is met wat gribi's.

Wij trekken, over B-wegen, dan maar richting Ungheni, en nu komen wij de allerslechtste weg van de reis tegen: een to-taal aan barrels gereden Hitlerweg (er lag beton, en dat is zo erg versleten dat er nog beter zand had kunnen liggen: nu ligt er beton alsof het erop geregend is: volstrekt ongelijk, met enorme gaten). Wij hobbelen, in de brandende zon, met zo'n 10 kilometer per uur, kilometerslang een heuvel op, en negeren de liftende boerinnen langs de zijkant van de weg. Kunnen we toch niet meenemen.

Als we de heuvel weer afdalen, blijkt het leed plots geleden: daar begint een prima asfaltweg, die ons naar een toch ook heel weggestopte grensovergang leidt, zo'n 20 kilometer voorbij Ungheni (bij Ungheni zelf, waar wij wel al de EU-grens waarnemen, met ouderwets niemandsland, wachttorens en gewapende tweemans-patrouilles, alsof je weer terugbent in de DDR van weleer, gaan alleen treinen die grens over via een spoorbrug).



Onderweg zien we overal hetzelfde beeld: rollende heuvels met vruchtbare grond, met in onbruik geraakte kolchozen erop. De gebouwen zijn niet afgebroken, maar gewoon in de steek gelaten. Ervoor staan dan de nieuwe boerderijtjes, kleine vrijstaande huisjes, die persoonlijk bezit van de boeren zijn en van waaruit zij de landerijen, die meestal groter zijn dan de provincie Flevoland, bewerken.

De grensovergang levert ons weinig problemen op, en dat komt onder andere doordat we het milieuvignet voor Moldavië al hebben, want anders was ons dat nu alsnog aangesmeerd, blijkt. Maar de zeer corpulente, uiterst minzame snorremans alhier vindt het al snel gesneden. Hij kijkt even in de wagen, achterin, en dan mogen we doorrijden naar de Roemeense kant van de grens. Wij zijn optimistisch. Hier moet ons tenslotte welkom thuis geheten worden, want dit is de EU-grens.



Nou, dat duurt even. Want die EU-grens blijkt, tot mijn genoegen, streng bewaakt. Alles wat geen EU-nummerbord heeft wordt he-le-maal uit elkaar getrokken voordat het erover mag. Maar wij mogen, als we eenmaal aan de beurt zijn, op vertoon van ons Nederlands paspoort en nadat wij verklaren geen wapens, excessieve hoeveelheden alcohol en sigaretten of andere contrabande te vervoeren, direct doorrijden, en we hoeven de beambten niet eens te betalen. Wat een verademing! "Die zullen flink gebaald hebben toen de EU kwam", spreekt Ed, "kostte ze zeker de helft van hun inkomen". Dat zal inderdaad best, maar het valt op dat ze zich oncorrupt voordoen, en dat is toch erg fijn.

Twintig meter verderop kopen wij een nieuw wegenvignet, voor Roemenië dus ditmaal, en dan mogen we langs de laatste beambte, die ons vriendelijk toeknikt, het land binnenrijden.

Wij rijden door zeer landelijk gebied (met overal ganzen en paarden op de weg) naar de pittoreske stad Iaşi, waar wij uitstappen voor een rondwandeling en het kopen van een wegenkaart (TomTom weet hier nog steeds van niets).



En dan begint een hellerit. De hele nacht lang zullen wij doorrijden, richting Constanza, in het (bijna) uiterste zuiden van Roemenië: een badplaats aan de Zwarte Zee waarop Ed zijn zinnen gezet heeft. "We gaan relaxen aan het strand." Ik geloof hem niet onmiddellijk, want de weg erheen is verre van relaxed. Grotendeels onverlicht, en met weliswaar re-de-lijk wegdek, maar er liggen wel overal dode dingen op (waarschijnlijk voornamelijk honden, maar dat is vaak niet meer te zien - het is om de haverklap, dat Ed en ik "Hee, iets doods" uitroepen, als we erlangs rijden), en de Roemaniakken rijden als onbeschofte thrillseekers met een definite deathwish.

Het op een tweebaansweg inhalen van trager verkeer terwijl je recht inrijdt op de aanstormende tegenligger is in dit land tot kunst verheven. En dan zijn er ook nog eens overal wegwerken, die veel vertraging, en gehobbel opleveren. Om nog maar te zwijgen over de twee keer dat wij verkeerd afslaan en op totaal ontoegankelijke hobbel-B-wegen terechtkomen. In beide gevallen keren we weer om, omdat er geen beginnen aan is.

Maar uiteindelijk bereiken we toch Constanza, waar we een belachelijke hoeveelheid hotels passeren voordat we er, helemaal achter- (of voor-)in de stad, bij de jachthaven aan de Zwarte Zee, een prach-tig hotel ontdekken: het Palace, waarin wij tevreden inkwartieren. Het hele hotel is aan de binnenkant zojuist gerenoveerd, met prachtige bogen, tapijt en verlichting, en de kamer is luxe en van alle gemakken voorzien, inclusief balkon aan de kant van de monumentale voorgevel (die mij nog het meest doet denken aan de statige gebouwen rond Hyde Park in Londen).



Wij leggen ons tevreden te ruste, in de pleurishitte: het is hier bovenin de dertig graden, ook 's nachts, kennelijk.

Dag 12 04.09.2007: Constanza

En de volgende dag is ook een hete, op meerdere vlakken. Ten eerste dat van het weer: het is een prachtige, warme dag, zonovergoten met mooi hemelsblauw, en ik geniet daar met volle teugen van, terwijl ik, uitgebreid en lekker, ontbijt op het terras aan de achterkant van het hotel, dat uitkijkt over de jachthaven, de Zwarte Zee en de skyline van Constanza daarlangs. Ed slaat dat ontbijt over: hij doet het vandaag heel rustig aan. Goed zo.

Na het ontbijt maken wij een lange rondrit door Constanza. Wij ontdekken een restaurantje waar wij besluiten die avond te gaan eten, zien on-ge-loof-lijk veel hotels (we tellen er tientallen, maar ik vrees dat het er daadwerkelijk meer dan 100 zijn), en rijden over een tolweg daarlangs naar Mamaia (badplaats vlak buiten Constanza). Vlak daarbuiten vinden we een grote haven, die nog het meest aan een mini-versie van IJmuiden (inclusief staalfabriek) doet denken.

Erheen leidt een indrukwekkend kanaal, in de communistische tijd nog met de hand gegraven. En erachter ligt een enorm meer, aan de inlandige rand waarvan dan weer druk aan woningbouw gedaan wordt. Dat gebeurt aan de zeereep tussen meer en zee dus ook, maar daar zijn het vooral hotels en appartemententorens, waar het hier natuurlijk iets goedkopere grond betreft, maar enorme vrijstaande kasten met grote tuin en muur eromheen worden neergezet.



Langs het kanaal rijden wij van Mamaia naar Costineşti. Dat is een derde badplaats aan de Zwarte Zee, die vooral erg populair is bij jongeren. Het sfeertje is er een beetje Grieks: een straatje met kraampjes die van alles verkopen, van strandattributen tot ansichtkaarten, etenswaren, kleding en zonnebrillen, een hele lading restaurantjes, en een groot, breed zandstrand aan een prachtig azuren zee.

Men heeft zelfs een binnenmeer gebouwd, waaroverheen jetski's scheuren, en in de verte ligt het symbool van Costineşti, blijkens de ansichten: een scheepswrak, waarvan ik denk dat het er vooral voor de duiksport ligt.

Wij bewonderen de fraaie dames en nemen een duik in het water. Dat kost me m'n Swatch. Damn. Hebben ze, de laatste keer, de batterij toch niet goed geplaatst. Want het ding hoort waterdicht te zijn, daar heb ik 'm op gekocht, omdat ik 'm dan niet af hoefde te doen onder de douche - ik raakte, met mijn legendarische verstrooidheid, voortdurend horloges kwijt op die manier, daarvoor.

Maar ach. Hij heeft jarenlang trouw en probleemloos dienst gedaan, en het lost wel weer een probleem op. Ik had van mijn vader een Medion-hartslagmeter cadeau gekregen, kort voor vertrek, die ook digitaal horloge is (en die ik expres niet meenam op deze reis, opdat ik 'm niet zou verliezen tijdens), en ik liep me iedere ochtend af te vragen welk van de twee horloges ik om zou gaan doen. Probleem verholpen dus.

Maar ik koop nu toch maar eens een heuptas, omdat ik dat kwijtraken van dingen volkomen zat ben. Had ik natuurlijk veel eerder moeten doen, kost een godsvermogen bovendien (20 euri of zo), maar ik word er toch blijer van.

Wij eten schnitzels onder druiven die naar het frituurvet smaken, en rijden dan weer door. Buiten Costineşti, op een rangeerterrein, treffen wij een aan de weersomstandigheden overgelaten oude trein, waaraanvast ook de nog gloednieuw uitziende locomotief staat weg te rotten. Vreemd.



De cirkel voltooid en weer terug in Constanza krijgen wij onze eerste en enige felle ruzie van de reis. Ik ben, achter het stuur, al vanaf Costineşti van plan een ritje in de kabelbaan van Constanza naar Mamaia te maken, en dat te doen vanaf Mamaia. Het eerste is Ed met me eens, maar het tweede niet, blijkt. Als we het beginpunt van de kabelbaan in Constanza voorbijrijden ontploft hij. "Hier! Stop hier! Je gaat toch niet weer betalen voor die kut-tolweg?".

Maar met die €3,- die die tolweg kost zit ik nou juist helemaal niet. Waar ìk mee zit, dat is dat wij nu voor de zoveelste keer, omdat Ed zich plotseling iets bedenkt, een onverwachte manoeuvre in het verkeer moeten maken, en daarmee in een gevaarlijke situatie terechtkomen in verkeer door een stad waarin we niet gewend zijn. Voor het vermijden van dat soort situaties heb ik met liefde 3 euro over, en ik beweer zelfs dat wij beide ongelukken van deze reis niet zouden hebben gehad als dit soort plotselinge manoeuvres, die ik uit mijzelf NOOIT zou maken, er niet geweest waren. ZO.



Gelukkig duurt de ruzie niet lang, al blijf ik er nog zeker een uur grimmig door, terwijl wij de kabelbaanrit beleven en in Mamaia over en rond het strand zwerven.

Die kabelbaanrit is overigens retekoel. Het ding zou niet misstaan tussen Bloemendaal en Zandvoort (ongeveer dezelfde afstand; dat is waar nu die tuktuk's rijden om badgasten van de ene plaats naar de andere te vervoeren), maar zou daar absoluut niet kunnen, omdat-ie niet strookt met de Nederlandse veiligheidsvoorschriften: de rit in de gondel voert soms vlak over de stalinistische flatblokken die de oudere hotels en appartementen aan deze zeereep bevatten, zodat als zo'n gondel los zou raken je Bijlmerramp-achtige taferelen zou kunnen meemaken als het ding je slaapkamer komt binnenzetten. Wel leuk, niettemin, om te zwaaien naar de tegemoetkomende gondels - en een geweldig uitzicht over de badplaats met, onder andere, een enorm openbaar buitenzwembad. Zou in Nederland ook niet kunnen, maar is makkelijker te onderhouden in een warm en droog klimaat zoals dit.



Wij verbazen ons, op het strand, om wat in de Ceauşescu-tijd waarschijnlijk een bij de apparatsjiks hip pier-restaurant geweest is, maar nu een betonnen ruïne is die in Nederland ook helemaal niet zou kunnen, vanwege de veiligheidsrisico's.



Terug in Constanza frissen wij ons op ter hotel, en daarna zetten wij koers naar het eerder die dag ontdekte restaurantje. Dat blijkt dat helaas niet te zijn, maar louter een café, dus nadat we er wat gedronken hebben vertrekken we weer (jammer, prettige tuin om in te zitten). We eten uiteindelijk vlakbij, aan de overkant van de hoofdweg door Constanza, bij een prima steakhouse, dat ons na het eten een bon levert waar "Pizza e Pasta" bovenstaat (kennelijk vergeten om iets in te vullen bij 'Vul hier uw restaurantnaam in'). Maar het is wel pri-ma eten, en er is Leffe bij. Mooi eind, van een lange dag genieten.

Dag 13 05.09.2007: Constanza-Bukarest-Sinaia

Dat genieten gaat de volgende ochtend gewoon door: Ed geniet deze ochtend mee van het ontbijt. Daarna constateren wij dat het met de staat van de buitenkant van het Palace-hotel toch wel slecht gesteld is: dat terras waarop we ontbeten hangt er, bijvoorbeeld, penibel bij, blijkt als je er vanaf de haven naar kijkt. Maar de renovatie komt eraan (te zien aan het vers gerenoveerde interieur), dus dat zal loslopen, in de nabije toekomst.

Wij lopen met de wagen dood, aan die achterkant, en moeten dus weer terug om op de weg uit Constanza terecht te komen. De rit gaat richting Bukarest. Ik wil het paleis van Ceauşescu zien, en Ed wil zijn kennissen opzoeken. Kennissen? Kennissen.

Edwin werkte ooit bij het Carlton Square Hotel in Haarlem (nu grote klant van zijn eigen Taxi Adriaan), en liep in die hoedanigheid Claudio tegen het lijf - een Roemeen die voor Ricoh in de kopieermachines zat en af en toe naar Nederland kwam om cursussen te volgen. Zij werden goede vrienden, en dus gaan we, nu we in de buurt zijn, bij zijn familie langs. Zijn familie? Zijn familie. Want zelf is-ie er niet: hij is op vakantie, in Griekenland. Ed kent z'n familie echter ook, want is inmiddels 2x bij ze op bezoek geweest.

Onderweg naar Bukarest ontdekken we pas ter hoogte van Slobozia dat er, tussen Constanza en Bukarest, een prachtige nieuwe snelweg ligt, de A2, en dat we dus die B-weg met al die wegwerken en dat drukke vrachtverkeer niet hadden hoeven nemen. Jammer, want hoop nodeloos tijdverlies. Maar goed, niet getreurd en alsnog erop.



"Ik mis iets!" "Wat?" "Ik heb nog geen paardenkar gezien!" Het is een prachtige snelweg. Alsof je op de A9 rijdt - maar dan zonder verkeer om je heen. Heerlijk. We rijden Bukarest binnen en parkeren direct in op zo'n 30 meter van het kantoor van Roel Copiers, Claudio's bedrijf, dat hij inmiddels heeft overgedaan aan zijn vader en aan zijn broer Gaby, die wij er beiden treffen. Bij een bak koffie lullen wij gezellig over voetbal (Gaby heeft net zoveel ontzag voor Oranje als wij voor de Roemeense voetbalploeg, en we hopen allebei dat Oranje over 3 dagen Bulgarie gaat verslaan), de nieuwe onderneming van Claudio (hij probeert in Duitsland een systeem te verkopen dat, net als dat van Alcas, muziek levert aan horeca-ondernemingen - maar dan met video daarbij - het verkoopt nog niet goed genoeg, maar je moet ergens beginnen hè, en als je al een goed lopende onderneming hebt, kan het natuurlijk voorkomen dat je je gaat vervelen), en alles wat ons verder invalt.

Zo vraag ik Gaby hoe dat nou toch zit met al die hotels in Constanza. Hij legt me uit dat dat allemaal witwasserij is, en dat Constanza weliswaar per zomerseizoen zo'n 70.000 toeristen uit de bredere regio trekt, maar dat het die hoteleigenaren een biet zal zijn of hun hotels al dan niet vol zitten. Dat verklaart een hoop ja.

We vertellen de heren dat we straks nog even langsgaan bij hun (ex-)vrouw en moeder, en verlaten dan het pand. We lopen over de enorme centrale boulevard van Bukarest (op bevel van Ceauşescu aangelegd ten koste van de prachtige oude stad die er dus nu niet meer is) die, met zijn hoge, monumentale appartementsgebouwen doet denken aan de Champs Elysées in Parijs.

Die boulevard komt uit bij het paleis van Ceauşescu, en dat is inderdaad, zoals de verhalen verhalen, een volstrekt megalomaan ding, aangelegd ten koste van het volk. Wij gaan er niet in, want er is vandaag nog teveel te doen, maar lopen terug achter de boulevard langs, waar we nog wat overgebleven mooie oude woonhuizen zien, en een totaal met moderne lelijkheid omgeven oude kerk (deed Ceauşescu volgens Ed door heel Roemenië, kerken niet slopen maar wel inbouwen met lelijke communistische blokken, totdat je ze niet meer zag).

Dan rijden we naar het huis van Claudio's moeder, of liever gezegd, de huizen van Claudio, Gaby en hun beider moeder. Dat zijn er namelijk drie, groot vierkant en vrijstaand, en die staan naast elkaar op een stuk land van 36 bij 300 meter (met, uiteraard, een hek eromheen), dat Claudio ooit voor een habbekrats kocht en nu een fortuin waard is, ondanks dat het onder de aanvliegroute van het kleinere Bukarestse vliegveld ligt.

Op weg erheen passeren we een Opel-dealer, waar we dus even stoppen in hoop op spiegel. Helaas: twee weken levertijd. Maar het wordt al minder! Ik spreek het vermoeden uit dat we 'm in Duitsland, vlak voor de Nederlandse grens, op voorraad gaan vinden.



De moeder van Claudio ontvangt ons, net als Ice, de poolhond-met-drie-kinders, warmhartelijk. Zij voert ons grote hoeveelheden pilav-met-kip-en-paprika, feta-achtige kaas, bier en Snickers-ijs. Wij kijken samen met Claudio's schoonmoeder, en haar kleindochter (de dochter van Gaby) naar de tv. Op het nieuws zien wij dat langs de weg van Iaşi naar Constanza, en dan vooral in de regio Galazi, alles is weggespoeld door enorme overstromingen, die ook in Moldavië verwoestingen hebben aangericht. Daar zijn we mooi aan ontsnapt.

In het noordwesten van het land is, intussen, leren wij, een tornado aan het huishouden. Gaat goed! Voordat we vertrekken, treffen we nog net ook Gaby, thuisgekomen uit het werk, en bekijken we beide andere huizen.

Dan rijden we richting Karpaten, en naar Sinaia. Dat is een wintersport-oord in het hart van Dracula-country. We zien er nog niks van, omdat het donker is en hard regent, maar we merken dat we in de bergen zitten, omdat de weg erheen scherp omhoog steekt en vol S-bochten zit, het snel veel kouder wordt, en de lucht een stuk frisser is.

De stad staat vol hotels, maar we rijden steeds verder de berg op, in de misplaatste veronderstelling dat hogerop de hotels wel goedkoper zullen zijn. Dat blijkt andersom te liggen: de hotels bovenin zijn veel duurder, omdat ze vermoeden dat je, als je daar terechtkomt, het al vruchteloos geprobeerd hebt bij alle lager gelegen hotels, en er dus wel veel voor over zult hebben.

Daar staat tegenover dat we een prachtig stukje toeristische route beleven. We proberen het eerst bij Hotel Intim. Dat klinkt niet alleen fantastisch fout, het ìs het ook: het is een 1-sters hotel (staat er trots bij, op een bord), dat eruitziet als de spookvilla uit de Scooby Doo tekenfilms, en van binnen precies is wat je verwacht van een hotel in de Karpaten: krakende vloer, lange gang, schilderij aan de muur met een Transsylvanisch spookkasteel-met-maar-1-verlicht-raampje erop en vleermuizen eromheen, en helemaal achterin de lange gang een stoffige balie, met een gebogen, stoffig, klein mannetje met een snor en argwanende ogen erachter. Of hij ruimte heeft. "No."

En daar kunnen we het mee doen. Jammer! We rijden verder en komen terecht in het overal wild aangegeven Hotel Alex. Het blijkt een dievenbende. €50,-, voor een tweepersoons kamer die uit vier ruimten bestaat: een gangetje, een slaapkamer, een zitkamertje, en een douche-toiletcombinatie. Dat klinkt ruim, maar alles is eng laag en smal, de wc loopt permanent door, de douchecabine staat scheefgezakt, en alles ziet eruit alsof het dringend toe is aan renovatie.

Wij zijn, niettemin, weer eens zo uitgeput dat het ons voor vandaag bijster weinig kan schelen: tijd voor slaap.

Dag 14 06.09.2007: Sinaia-Vorderhornbach

De volgende ochtend moet ik, om bij de ontbijtzaal te komen, buiten om de voorkant van het pand heen. Dat heeft voordelen, want het is een echte bergochtend: licht vochtig, maar vooral fris, met van die geweldig zuivere ochtendlucht, en dit middelgebergte ligt er, voor mijn neus, prachtig bij, in de ochtendlijke nevel.

Het ontbijt blijkt niet bij de prijs inbegrepen. Dieven. Vervolgens maak ik het zelf erger door de kaart verkeerd te begrijpen. Ik interpreteer 'kaiser' als kaiserbrötchen, en bestel er twee. "Twee broodjes", zeg ik er ook nog bij. Ik bestel verder wat lokale kaas en worst. Wat het kleine meisje in pornografisch verantwoorde klederdracht mij vervolgens brengt zijn 1 portie kaas, en 2 porties worst, waarvan 1 enorm: dat is namelijk de dubbele portie kaiser, deduceer ik later, aan de hand van de rekening.

Ze zet er 4 broodjes bij - want er gaan er 2 in elke portie, en ze heeft begrepen dat ik om '2 brood' vroeg. Okay, stom van mij, maar ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat er minder problemen zouden zijn geweest bij een duidelijker kaart en taalkundig onderlegder personeel. Ik laat Ed, bij zijn arriveren ter tafel, daarom dan maar van mijn beleg gebruik maken, scheelt weer geld tenslotte. Ach. We zijn niet wakker geworden met dubbele gaatjes in de nek, en dat is toch ook heel wat waard.

Daarna maken we de pleiterik, en gaan we om de hoek het paleis van de eerste koning van Roemenië bewonderen. Prach-tig! En dat zeg ik zonder dat we erin geweest zijn (dat vinden we, gezien de meute mensen die zich voor de rondleiding aandient, geen prettig, en ook te tijdrovend plan). Het is een sprookjesachtig jachtslot, maar voor een koning zeer bescheiden.



Ik besluit mij nog even richting toilet te begeven, als dat op de weg naar de parkeerplaats beneden opdoemt. Er zit een toiletjuffrouw in die ik wat geld geef. Zij geeft mij twee velletjes papier, en wijst naar het mannenblok. Daar kom ik erachter dat de plee een Frans gat in de grond is. Ik pleur de velletjes papier erin en loop weer naar buiten. De tering.

Bij de parkeerplaats staat een Bastion-hotel. Beter! Ik loop naar binnen en vraag: "Hebt u een toilet?" "Nee, meneer." "Nee?" "Alleen als u wat bestelt." "Maar ik kan niet gewoon betalen voor het toilet zonder iets te bestellen?" "Nee." "Maar ik wil helemaal niets bestellen, ik wil naar het toilet." Ze is onvermurwbaar. "Dat kan niet, meneer." "Dan wil ik graag 1 koffie." Ze glimlacht en knikt. "Wat wilt u in uw koffie, meneer?" Ik wacht de koffie niet af, roep over mijn schouder triomfantelijk: "Niets!" en been het, overigens uiterst gerieflijke, toilet binnen. Zo.

1 Snelkeilkoffie later rijden we de heuvel af. Ed wisselt, daaropvolgend, in Sinaia nog wat geld, en neemt een lokale krant mee (die van Claudio's schoonvader zaliger, krantenmagnaat - Claudio heeft er, voordat-ie 'm na schoonpa's dood van de hand deed, een krant op tabloidformaat van gemaakt). Daarna rijden we over Braşov (lelijke stad, heel stalinistisch - grauwe, vervallen flatblokken; Ed vertelt me dat-ie 'm kent omdat daar wat vrouwelijke doktoren wonen die hij weer uit Nederland kent, toen ze daar waren voor het een of ander) naar Sibiu. Da's een stad waarvan Gaby zei dat we er zeker heen moesten, omdat-ie "prachtig" is en momenteel culturele hoofdstad van Europa (dit denkelijk niet in de laatste plaats dankzij de bemoeienissen van Prins Charles van Wales, die er nogal verkikkerd op schijnt te zijn, aldus Gaby).

Nou moet ik toegeven dat we het centrum niet zien, want erlangs rijden, maar de rest van Sibiu vinden wij net zo lelijk als Braşov, en omdat de weg erheen een grote orgie van wegwerken en Roemaniakaal rijdende schoften is, bekijken wij het lekker.



Door naar de Hongaarse grens. Nou, dat duurt. Want omdat men in Roemenië weliswaar inmiddels EU-geld krijgt, maar niet genoeg om er kamerbreed decente snelwegen mee aan te leggen, repareert men in plaats daarvan met dat geld grootscheeps de B-wegen.

Dat zal over twee jaar vast leuk uitpakken; maar nu rijden wij de Hongaarse grens pas over als het al nacht is. En dat komt echt niet doordat we nog uitgebreid boodschappen doen, bij de Spar in Deva.

Wèl leuk: dat wij bij de Hongaarse grens de kaart van de TomTom oprijden. Wij zien, letterlijk, voor ons het solitair eind van een weg opdoemen, op het scherm. Terug in de beschaafde wereld! Dat blijkt inderdaad zo te zijn, want hoewel Hongarije groot is, en we dus zoveel kilometri verstouwen dat dat wisselen van plaats achter het stuur echt nodig is (er slaapt er in dit stadium telkens 1 achterin de wagen terwijl de ander stuurt, dit omdat we het zat zijn; we kùnnen best nog overnachten in Hongarije, maar we hebben daar gewoon geen zin meer in), gaat het loeihard, over (Adrianus' voorspelling komt vierkant uit) ge-wel-di-ge snelwegen.

Als we, middenin de nacht, Oostenrijk binnenrijden, zit ik weer achter het stuur. Het regent inmiddels pij-pe-ste-len, en Oostenrijk blijkt ook groter dan ooit vermoed. Tegen de tijd dat we, kort na het ochtendgloren, bij de Duitse grens arriveren, hebben we al mogen meemaken dat ook Oostenrijk een debielenparade kent (zo noem ik het spitsverkeer in Nederland altijd; dat valt echt op na een rustige taxinachtdienst, dat rond half zeven 's ochtends die debielenparade met idioot en levensgevaarlijk grillig naar het werk rijdende zotten begint).

In Duitsland (we tellen alweer twee grenzen waar we probleemloos doorheen gewuifd zijn op vertoon van ons Nederlands paspoort: dat gebeurde zowel bij de Roemeens-Hongaarse als bij de Hongaars-Oostenrijkse, en deze Oostenrijks-Duitse bestaat niet eens meer, buiten een bordje) stoppen wij bij een tankstation en schieten de tranen in mijn vermoeide ogen bij de behandeling die ik van de pompbediende ontvang.

Laat dat aan Duitsers over. Binnen een minuut is de transactie afgehandeld, er belangstellend gevraagd naar mijn algehele toestand en mijn verwachting ten aanzien van mijn persoonlijk geluk de komende dag, dat mij in grote hoeveelheden is toegewenst, en wederzijds, meneer. En dat dan allemaal in zo'n zangerig Zwitsers accent. Fan-tas-tisch. Daar kunnen ze bij de Total op Schiphol nog veel van leren.

Net als rijden. Dat kunnen ze in Nederland ook nog van Duitsers leren. Want Duitsers, dat zijn toch echt de beschaafdste rijders van Europa. Die rijden als mijn rij-instructeur, maar dan hard. Zo hoort het! Het zou alleen wel fijn zijn als ze die afritten van hun prachtige autobahnen wat langer maakten. Zelfs in een Opel Combo leveren die met regelmaat bijna-doodervaringen op.

Wij rijden, iets verderop, Oostenrijk weer in. Oostenrijk weer in? Oostenrijk weer in. Wij zijn, namelijk, nu al bijna 25 uur onafgebroken onderweg naar mijn jeugd-herinnering. Ze zeggen dat je nooit moet terugkeren naar waar je ooit geweest bent, omdat het alleen maar kan tegenvallen. Ik ga die bewering keihard logenstraffen: ik ga terug, naar Vorderhornbach.

Dat is een heel klein boerendorp, en het ligt, vlakbij Reutte, aan de rand van het Lechtal. Niet aan de kant waar Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, haar familie en de halve wereld plegen te skieën, maar aan de non-toeristische andere, bij de Allgäuer Alpen.

Ik ben er twee keer eerder geweest, in 1983 en 1984. Toen was ik dus 17 en 18. En ik was er op schoolreis. Twee keer een week lang werden wij in Vorderhornbach, in een Belgisch vakantieheem, iedere ochtend uit ons bed getrapt om met onze platte (en ernstig bekaterde) bek om 7 uur een berg op te gaan lopen, tot een uur of 3 's middags, en dan weer naar beneden. Beide reizen lieten een onvergetelijke indruk op mij achter, en ze hebben mij minimaal gedeeltelijk gemaakt wie ik ben.

En ik nam mij al heel lang voor om, zodra ik een auto kocht, er als eerste mee naar Vorderhornbach te rijden om daar opnieuw de Grubachspitze te beklimmen - maar het kwam er niet van, want tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.

Dus nu de kans zich alsnog voordoet, moet ik erheen. Ed is, gelukkig, de moeilijkste niet, dus stemde al in Constanza in met het plan.

Dag 15 07.09.2007: Vorderhornbach

Nu TomTom ons de weg afstuurt, en hoog de bergen in, op de klimweg van Imst naar het Lechtal, maakt zich dan ook grote triomf van mij meester. Die daalt ook neer over Ed: maar dan meer omdat wij de Combo de sneeuw in blijken te rijden. Wij zetten 'm in verrukking even langs de weg, en gaan sneeuwballen naar elkaar smijten! Wat een heerlijk contrast, met de 40 graden aan het strand in Constanza!

Wij rijden dit allermooiste stukje route met openvallende monden. Want zelfs tijdens die schoolreizen had ik zo'n mooie weg niet bereden: dat ging toen niet, hoor, met die grote Belgische touringcar. Dit is zo'n weg die bij echt winterse omstandigheden domweg afgesloten is, en alles wat je ziet ziet eruit als een Märklin miniatuurspoorbaan - alles, behalve de bergen, want die heb ik in geen miniatuur nog ooit benaderd gezien zoals ze hier, nu, in al hun majestuositeit om ons heen torenen. Weten we eindelijk waar ze die achterlijke boompjes vandaan hebben: die groeien hier, gewoon!

En als ik middenin Vorderhornbach, naast Gasthof Rose, uit de auto stap, is dat het moment van mijn overwinning. Ik ben overmand.

In roes loop ik richting de Grubach, en de supermarkt die gebouwd werd nadat die schoften van de HAVO (die waren in het naburige dorp Elmen gelegerd maar kwamen om de Grubach te beklimmen naar ons VWO-dorp) meerdere jaren achtereen de dorpswinkel met de 90-jarige oude, stokdove dame hadden leeggestolen.

Die supermarkt is Godzijdank niet gegroeid, sindsdien, en het Belgische heem staat er ook nog.

Daar is het balkon, waar ik een krukje naar de kop van Rogier van der Tweel gooide, toen hij mij met een ghettoblaster met New Order's 'Blue monday' (KUTmuziek) bleef achtervolgen (het landde net niet op een passerende Citroën).

En daar is de hoekkamer waarin Ruben Snater mij per ongeluk knock-out hoekte met het zwaardere paar bokshandschoenen van Paul Vos (die had er twee meegenomen, voor de gein, ik droeg het vederlichte paar, en Ruben, die twee meter mat, maakte korte metten met mij).

Daar is het hoekraam, van waaruit ik mijn blik ophief, naar de bergen, vanwaar mijn hulp kwam, in de vorm van inspiratie, voor een gedicht:

Vorderhornbach
Een snik in de afgrond

Een donkergroen tapijt
Van drijfnat mos

En ochtendlucht

Zo is Vorderhornbach
Een traan op de rotsen

Een huilen
Om de nacht

Vrede zij

In Vorderhornbach
Zon!


En daar is dus Gasthof Rose, het hotel annex café-restaurant waar wij iedere avond stomdronken werden van de Strohrum, en gefouilleerd werden voordat wij het pand verlieten, omdat ze anders geen glaswerk meer overhielden daar (ik heb nog steeds 1 klein Strohrum-glas in bezit, herinner ik mij; daar is sindsdien heel wat uit gedronken, maar nooit meer Strohrum - ik heb trouwens ook nooit meer rumcola gedronken, omdat rum geen rum is als er geen 'Strohrum' opstaat).

Jongens, waren wij, maar aardige jongens. Dat zijn we nog steeds. En dat zijn ze hier ook, voorzover het geen dames zijn. De oude waardin heet ons van harte welkom (ik leg uit dat ik na 23 jaar ben teruggekeerd naar het dorp-van-mijn-schoolreis en dan zegt zij: "Da sind Sie nicht der Einzige, der hier aus diesem Grund kommt") en geeft ons kamer 7, op de tweede verdieping, met balkon. De rust doordringt ons ganse zijn en wij storten tevreden terneder. Vanaf het balkon bel ik Paul Vos en Debbie Scheltes, om op hun voicemail in te spreken dat ik in Vorderhornbach ben. Zo. Die zit.

Vlak voordat ik wil gaan slapen doorbreekt Ed plotseling de stilte. "Zeg. Jij wou toch die berg op?"

Ik zwijg even verbijsterd. "Ja..."

"En het is nu mooi weer, toch?"

"Ja..."

"Dan gaan we er nu op. Want morgen is het misschien geen mooi weer meer."

Dat klopt. Ik krijg er geen speld tussen. De oude waardin heeft gezegd dat ze hoopt dat het morgen beter wordt, en hoop doet leven, maar is geen weersverwachting.

En zo nemen wij, na 25 uur rijden, geen rust, maar gorden wij de schoenen om, en trekken wij, om drie uur 's middags, de berg op. We becijferen, vooraf, dat het net moet kunnen. Drie uur heen, twee-en-een-half uur terug. "Bergheil!", wenst ons de jeugdige waard, als wij uit het gezicht verdwijnen.

We zullen het nodig hebben. De eerste paar kilometer vallen nog mee (hoewel Ed al snel klaagt, over het zwoegen). Wij genieten van het bos en de prachtige waterval, en de groeiend fraaie uitzichten. "Welkom in mijn wereld!", roep ik tegen Ed.

Nu ja, dat is ook zo. Maar die wereld zal mij harder vallen, dan verwacht, vandaag. Mijn bergschoenen blijken namelijk niet toereikend. Het profiel is, door lange wandelmarsen, veels te afgesleten. Zo bij de boomgrens wordt het daarom zwaar, als ik per ongeluk van het pad raak en langs een lawinespoor omhoog trek. Ik moet mij daar al vasthouden aan de sparrestruiken en mijn eigen niet onaanzienlijk gewicht naar boven trekken, terwijl Ed al boven staat te wachten (die heeft, zodra hij mij zag zwoegen, toch maar het pad gezocht, en nog gevonden ook).



Iets verder wordt het erger. Er ligt een vers pak sneeuw op de Grubach! Daar is die berg normaliter te laag voor, en met het huidige broeikas-effect had ik ook zeker niet verwacht dat dat er zou liggen. Destijds stond ik op 21 september op de Grubach, op kale steen, in de zon, onder een strakblauwe hemel. Nu is het pas 7 september, wit, en klim ik door de wolken.

Klim ik, want ik heb zo weinig grip, met mijn schoenen, op het los gesteente en op de sneeuw, dat ik weg- en naar beneden glijd. En ik ben zo zwaar, dat ik niet, zoals Ed, mijn voeten ferm vast kan zetten in de sneeuw, maar ermee naar beneden zak.

Dus ik besluit, vlak voor de top, een stuk langs de sneeuw, en over de rotsen te klimmen. Daar komt mijn indoor klimcursus (ooit bedoeld om outdoor te worden, maar daar waren tijd en geld niet voor) mij goed van pas. "Klimmen met je voeten", "nooit je steun loslaten voordat je zeker weet waar de volgende gaat zijn", "altijd drie punten vast" en "tussendoor staand rusten", het zijn wijze lessen.

Toch beschadig ik mij, bij een wegglip van voet, van de natte rots, aardig (ik haal mijn linkerhand op vier punten flink open, en het bloedt als een rund), en verlies ik de hoed, die ik in Costineşti kocht. "Halen we wel op als we teruggaan", roept de zeer geërgerde Ed van bovenaf. Hij staat al minutenlang af te koelen, wachtend, boven mij. Logisch, dat-ie geïrriteerd is. Maar ja, hij heeft mijn schoenen en gewicht niet. Dus zelfs als-ie boos weer omlaag klimt en roept "Moet ik het nou echt voordoen?" en door de sneeuw weer bij mij vandaan klimt, kan ik hem niet volgen op die weg.

Dus ik worstel verder. Maar ik kom boven, en tracht daar mijn bloedende handen op te lappen, met de first aidkit die ik uit mijn auto heb meegenomen. Er zitten geen pleisters in! Lekker dan. Ik berg 'm weer weg en trek de fles bedenkelijke Odessiaanse cognac open. Zelfs Ed waagt zich eraan.



De alcoholgloed helpt, maar toch wagen wij ons niet aan de laatste honderd meter, naar het kruis op de top. Het pad erheen loopt namelijk schuin af langs de afgrond, en er ligt een halve meter sneeuw op. Het alternatief is in de snijdende wind over de bergkam naar het kruis klauteren, maar dat vertikt Ed. Wat mij betreft terecht: het schemert al, ik ben doornat van het zweet en het ploeteren door de sneeuw, ik ril van de koude in de ijzige wind, en ik heb pijn aan mijn bloedende open wonden: geen goede combinatie, hoog in de Alpen.



We maken wat foto's, van het rallylogo-in-de-sneeuw, en blazen dan de aftocht. Ik pak wel nog even snel een tweede steen in, voor naast de andere, die vanaf dezelfde bergtop komt en al jaren in mijn boekenkast ligt. Voel ik mij verslagen? Geenszins. Je moet niet fokken met bergen: daar ga je dood van. Genoeg is genoeg. En: was ik werkelijk zo stoer, toen ik 17, 18 was? Ik vind van wel. Ik kijk over mijn schouder omhoog, naar mijn bloed in de sneeuw op de Grubach. "Je hebt het noodzakelijk offer gebracht - de berg neemt, voor ze geeft", zal Paul Vos, later in Haarlem, tegen me zeggen. Ik hoop het maar.

De berg neemt gelukkig niet mijn hoed, want die wordt door Ed (die nu eindelijk begint te begrijpen wat ik doorstaan heb) met enige moeite teruggepakt, terwijl ik nog boven hem omlaagklauter.



De weg terug is minstens zo'n hachelijke onderneming als die omhoog. Het pad is namelijk nooit aangelegd, maar ontstaan, doordat er veel mensen over gelopen hebben. En dus is het hoogst oneffen, en vol wortels, rotsen, bergbeekjes etcetera. En hoewel ik een maglite bij me heb, helpt die maar weinig: die levert namelijk nachtblindheid op.

Wij gaan, de man, minstens vijf keer op ons smoel voordat we beneden zijn. En iedere keer dat dat gebeurt kan ons in grote problemen brengen. Het is les 1, in trekking: het gevaarlijkste dat je kan overkomen is een been breken, of een enkel verstuiken, en dan moeten wachten op hulp. Gelukkig raken we het pad niet kwijt, want dan zou het exponentieel gevaarlijker worden, allemaal.

We lopen veilig Vorderhornbach weer binnen, en Gasthof Rose in. Daar worden wij opgewacht door de beeldschone vrouw van de waard. "Große Aufregung!" Men blijkt de berggidsen al uitgestuurd te hebben om ons te zoeken, en die zijn op de bromfiets tot de waterval gereden om te kijken of ze ons daar al zagen. Denkelijk hebben we ze op seconden na gemist. Ze worden teruggeroepen, en de staf van Gasthof Rose bereidt ons, hoewel de keuken allang gesloten is, een uitgebreid avondmaal. Dat is thuiskomen.

Na het douchen (de douchestraal is hard en warm, in Gasthof Rose - zalig!), als Ed al te bed is, loop ik nog even naar omlaag, om met de barvrouw en de waard een bier te drinken. Ik verontschuldig mij bij die gelegenheid voor de glazenjatterij, uit de jaren tachtig. Het wordt mij in dank afgenomen. Wiedergutmachung. Een schone zaak, in een dorp waar de oude Adolf nog op menig schoorsteenmantel prijkt. Ik trek twee lessen, voor ik mij te ruste leg: goe-de schoe-nen, en nooit meer 's middags beginnen aan zo'n klim. Altijd 's ochtends vroeg.

Dag 16 08.09.2007: Vorderhornbach-Neuschwanstein-Solingen-Haarlem

De volgende ochtend zijn wij te laat voor het ontbijt. Maar ook dat wordt ons vergeven, dus we krijgen het alsnog, en het is copieus, met kekke koffie. Daarna wordt de gastvrijheid groter. Na het ontbijt wandel ik naar de supermarkt, die net een half uur dicht blijkt. Geen nood. De waardin belt de eigenaar, die familie (ook Schlichtherle) is. Hij doet de winkel weer open, en wij kopen er Strohrum (waarbij ik mij verontschuldig voor de winkeldiefstal van de HAVO-schoolgenoten destijds), een overzichtskaart van het Lechtal, en (Ed) Mozartkügel. We maken foto's van de Grubachspitze (het toch metershoge kruis is maar nauwelijks ontwaarbaar, in de mist), van beneden af, en dan nemen we afscheid van Gasthof Rose, en van de waardin.



"Und, sind Sie jetzt enttäuscht, mit Vorderhornbach?" Hoe komt ze erop.

Nee, dat ben ik niet. Ik ben opnieuw diep onder de indruk. En er is iets ingelost. De belofte aan mezelf, maar ook nog die aan Reina. Reina Milligan was de Amerikaanse uitwisselingsstudente waarop we allemaal verliefd waren, maar die het deed met Ruben Snater. Ze kwam op 10 april 2001 op 34-jarige leeftijd om het leven bij een auto-ongeluk, ontdekte ik enige tijd geleden bij toeval, via het web. Toen ik haar de laatste keer zag (in Haarlem, waar ze op bezoek kwam in mijn huis aan de Oranjestraat halverwege de jaren '90) zei ze: "Ik zou jou nog wel een keer willen ontmoeten". Het mocht niet meer zijn. Ik ging terug naar Vorderhornbach, voor mezelf, maar ook voor Reina. Rust zacht.

We rijden terug richting Imst, omdat Ed graag wat foto's van de auto wil hebben langs die hoge bergweg. Die maken we inderdaad, maar het kost allemaal zoveel tijd dat we bijster laat in Neuschwanstein arriveren.

Daar, vlak over de Duitse grens, staat het kasteel van de gekke Ludwig. Dat bezocht ik tijdens de schoolreis ook (we kwamen er toen door er, vanuit Oostenrijk, door een betoverend keteldal naartoe te lopen) en nu we hier toch zijn lijkt mij dat zeer de moeite waard om aan Ed te laten zien.

Dat is hij met me eens, want hij geniet van het uitzicht op Hohenschwangau en Neuschwanstein. We gaan er niet in (dat vinden we, gezien de meute mensen die zich voor de rondleiding aandient, geen prettig, en ook te tijdrovend plan), maar we bekijken het kasteel wel van bovenaf, vanaf de Mariënbrücke, diezelfde brug waar ik ooit een vooraf zelfgedraaid filterjointje stond te roken toen conrector en naamgenoot H.E. van Rheenen aan mij vroeg: "En Michiel, wat vind je van het kasteel?" "Mooie kleurtjes", zei ik toen, weet ik nog. Het kasteel is wit.



We rijden het Duitse laagland in, en de autobahn op, langs Ulm (dit keer gelukkig niet, zoals in 1984, met de onafgebroken op repeat staande volledige 'Club Tropicana'-elpee van Wham! uit de speakers). Ik bel mijn hoorbaar opgeluchte vader. Dat mag ook wel. Wat we gisteren gedaan hebben is beslist het gevaarlijkste dat we deze reis gedaan hebben, en we hebben het overleefd. Wat niet wegneemt dat we ook nog heel naar huis moeten rijden.

Maar dat blijkt geen problemen te gaan opleveren: wij komen, kort na het vallen van de avond, zonder verdere noemenswaardigheden in Solingen aan.



Solingen? Solingen. Een van die Roemeense vrouwelijke doktoren die Ed uit Braşov kent, en die inmiddels elders in Duitsland woont en werkt met haar dochtertje (haar man is nog in Roemenië), is toevallig in Solingen voor het volgen van een cursus.

Wij zoeken haar op (ze heet Ioanna), en beleven in haar gezelschap de dorpsbraderie in Solingen. Hoogst onwerkelijk, om plots tussen de lamme, brallende Duitsers te staan, voor een goedgevulde kroeg.

Maar wel gezellig. Blij en dankbaar, om en voor deze welkome onderbreking van een lange rit, nemen wij afscheid en rijden wij de nacht weer in.

Dag 17 09.09.2007: Haarlem

Wij arriveren om vijf over vijf 's ochtends in Haarlem, bij de burelen van Taxi Adriaan. Wij begroeten bedrijfsleider Jimmy Jaggoe, en terwijl Ed aan het verhalen slaat, pak ik zijn spullen uit de auto (óók alle losse objecten), voordat ik de pleiterik maak.

Thuis draai ik drie wassen, geef ik mijn dorstige planten water en haal ik de mail op. Zo verneem ik van de soms bizarre terugtocht van andere teams, en leer ik dat wij als laatste terug zijn gekomen: de 'Insurance Racers' kwamen zaterdagavond terug, dus die hebben we met een dagdeel verslagen. Wij zijn de Last Men Standing!

In de mail zit een uitnodiging voor middelbare schoolvriend en voormalig mede-bandlid Victor Schiferli's feestje, ter gelegenheid van zijn 40ste verjaardag, die zondagmiddag op strand Blijburg in Amsterdam.

Dus ik heb nog maar nauwelijks geslapen, een uurtje of vier, voordat ik weer in de auto stap en naar Amsterdam rijd, en mij plotseling op een zandstrand aan de rand van Amsterdam (zeer bizar!) bevind, met een cocktail (mojito) in mijn hand en een (ditmaal roze) polsbandje om. Houdt het dan nooit op?



Als ik mij kort daarna bij Victor verontschuldig en, moe maar tevreden, naar huis toerijdt, begroet mij aan de stadsgrens van Haarlem een enorme poster. 'Welkom thuis' staat erop, met een grote foto van de Bavokerk eronder. Dankufijn.

Ik rijd langs de zaak, zuig er de auto schoon en dump er Ed's toch nog vergeten spullen (de steen, het pingpongspel, een kussentje en een startkabelset), haal verse luchtverfrisser-vullingen voor in de auto, en chinees.

Ik zit nog niet net de eerste bonnetjes-van-de-reis te scannen, mijn financiële wanhoopssituatie te bezichtigen (leuk, die lijst van afschrijvingen en opnames onderweg), andermans geld naar Stichting Spoetnik over te maken, en mijn chinees op te eten, als taxicollega Ali belt. "Zeg, het is zondagavond, dus we gaan zuipen! Doe je mee?" Even later sta ik met een wodka in mijn hand in Café de Flapcan, en eindig ik via de Oude Floryn in Fidel, waar ik uitkom met een buitenmodel cubaanse sigaar, cadeau gekregen van taxicollega Mehmet. Houdt het dan nooit op? Ik laat mij door taxicollega Mohamed naar huis rijden. "Hoe was de reis?" Hoe vertel ik dat? En hoe leg ik uit dat-ie nog niet was, maar is?

Dag 18 10.09.2007: Haarlem

Vandaag koop ik een nieuwe rechterbuitenspiegel. Die is, vlak naast de burelen van Taxi Adriaan, op voorraad verkrijgbaar. Taxicollega Tom zet 'm er in een handomdraai op, en ik rijd naar de Halfords, om er een dodehoekspiegeltje bij te halen, dat ik er tevreden opplak. Zo. Meneer van Reenen kan weer lekker rijden. En doet dat ook lekker, naar de autowasstraat van Hendriks.

Want dat heeft mijn trouwe karretje wel verdiend. Die stickers laten we lekker zitten, totdat ze eraf vallen, of tot de volgende rally, maar blinken zal het, erom en eronder! Voor de rest zal het goed blijken te zijn, met de auto: de vriendelijke Turkse supermonteur Kadir zal vaststellen dat het lekken van diesel komt door een kaduuk filtertje, en dat vervangen, maar kan verder niks vinden dat mis is, buiten de deuken. Ik wel: de snelheidsteller doet het dus niet meer, en terwijl ik dit schrijf is dàt het enige dat nog verholpen moet worden. Maar ach, als dat alles is...

Dag 19 11.09.2007: Haarlem

...dan is dat minder erg dan wat Ed de volgende dag overkomt. Welkom thuis, maar dan anders: 's nachts wordt in twee van de Taxi Adriaan-bolides ingebroken door de ruiten ervan in te slaan, en worden de Taxitronic TD 32 terminals eruit gejat. Dat daar handel inzit verbaast me, omdat die dingen genummerd en gemerkt zijn, maar dat zal dan wel.



Denkelijk gaan die linea recta naar waar ik net vandaan kom: Moldavië, of Ukraïne, of zo.

Epiloog

Tweeënhalve week later breng ik, in de Citroën C3 van Taxi Adriaan, twee vaste taxiklanten van Haarlem's hipste hoerenkast, de Penthouse, naar de Yab Yum, Neerland's bekendste hoerenkast, aan de Singel in Amsterdam. Onderweg vertel ik klant Arthur het verhaal van mijn reis, daarheen en weer terug.

"Vind je het niet erg dat we helemaal naar Amsterdam willen?", vraagt hij daarna. "Welnee man. Al wil je naar Timboektoe." "Meen je dat? Weet je wel waar dat ligt, Timboektoe?" "Ja, dat ligt in Afrika." "Maar dan moeten we toch met de pont, vanaf Gibraltar, naar Marokko?" "Of door diverse conflictgebieden." "Hè?" "Ja, je kunt ook gewoon helemaal rijden, zonder pont, maar dan moet je door Turkije, Israël en Egypte enzo." "Zou je dat willen? Meen je dat?" "Arthur, als jij zegt dat je naar Timboektoe wilt, gaan we nu naar Timboektoe."

"Okay! We gaan!"


Bergheil - 14.09.2007

Er zijn geen rare plaatsen
meer verscholen in mijn brein
waar onverholen wordt gestolen
van een vers refrein

In het struikgewas zingt, stil
mijn hart dat, onverborgen
nooit meer terug aan morgen denkt
maar, wild, zich nog eens inschenkt

Op mijn rug, met worgen
klauwen, bitterkil
andermans misplaatste zorgen
teruggekaatste nijd

Ik kijk naar de bergen
hef mijn ogen op, die dolen
als de vingers van melaatsen
naar mijn hulp, die komen zal

En ergens in dit al
zal die niet nodig zijn
bij mijn terugkeer in dit dal
waar ik, ook voor jou, moest zijn.


Thuis.
Bij terugkeer naar, en uit Vorderhornbach. Voor Reina Milligan.



Eerdere afleveringen:
augustus 2007
juli 2007
juni 2007
mei 2007
april 2007
maart 2007
februari 2007
januari 2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998



Back | Forward | Home | Mail